Skip to content

Hof Amsterdam: rechtbank moet zaak overdoen nu inspecteur niet alle relevante stukken heeft verstrekt

24 september 2015

Tegen een uitspraak in eerste aanleg kan hoger beroep worden ingesteld. In tweede instantie wordt de zaak nogmaals feitelijk behandeld, waarop vervolgens enkel nog cassatieberoep open staat bij de Hoge Raad. In beginsel kan de rechtzoekende dus tweemaal gebruik maken van een feitelijke instantie. Maar wat te doen als geen sprake is geweest van een volledige feitelijke behandeling in eerste aanleg?

 

De zaak overdoen?

Op 30 juni jl. boog het hof Amsterdam zich over deze vraag in een geschil over een naheffingsaanslag loonheffingen. In hoger beroep stelt belanghebbende dat de inspecteur niet alle relevante stukken heeft overlegd, waartoe de inspecteur op grond van artikel 8:42 lid 1 Awb in beginsel wel verplicht is. Het hof Amsterdam constateert inderdaad dat de inspecteur een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft ingediend.[1] Ook de inspecteur zelf komt tot deze conclusie. Het hof merkt overigens op dat de op de inspecteur rustende verplichting onverkort geldt indien belanghebbende zelf ook over de stukken beschikt. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot terugwijzing, ex artikel 8:115 lid 1 onder b Awb. Beide partijen verzetten zich hier overigens niet tegen. Het hof overweegt dat de rechtbank, omdat het niet over alle stukken beschikte, niet aan een volledige inhoudelijke behandeling van het beroep is toegekomen. De rechtbank heeft voor het geschil belangrijke feitelijke kwesties niet of (volstrekt) onvoldoende onderzocht. Consequentie? Doe de zaak nog maar eens over.

 

Eerste instantie

Door de zaak terug te wijzen naar de rechtbank biedt het hof belanghebbende de mogelijkheid alsnog volledig gebruik te maken van haar eerste instantie. Een goede beslissing ten behoeve van de rechtsbescherming. Terecht merkt het hof op, dat “indien het Hof de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank zelf zou afdoen, (..) dit een (ongewenst) verlies van een feitelijke instantie tot gevolg” heeft.

Ook blijkens de parlementaire geschiedenis kan een hernieuwde behandeling door de rechtbank wenselijk zijn, bijvoorbeeld als het hof van oordeel is dat de rechtbank ten onrechte belangrijke feitelijke kwesties niet heeft onderzocht. “Als het gerechtshof over die kwesties meteen zelf een oordeel zou geven, zou dit voor partijen een ongewenst verlies van instantie kunnen betekenen”. Uit proceseconomisch oogpunt is het natuurlijk mogelijk dat partijen er de voorkeur aan geven dat het hof op deze feitelijke kwesties beslist.

Ingevolge artikel 8:31 Awb is het aan de rechter om, indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken te overleggen, daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. In bovengenoemde zaak viel de afweging ten voordele van belanghebbende uit. De rechter kan echter ook voorbij gaan aan het verzuim en de zaak zelf feitelijk afdoen. Hierin heeft hij een ruime beoordelingsvrijheid.

 

Knelpunt

Het dubbeltje kan dus ook de andere kant op vallen. Zo oordeelde de Hoge Raad op 14 september 2012 dat het oordeel van het hof, dat de zaak kennelijk niet opnieuw voor feitelijk onderzoek door de rechtbank behoefde te worden behandeld, geen blijk gaf van miskenning van de wetsbepaling of enige regel van ongeschreven procesrecht. Het betrof een zaak waarbij belanghebbende niet rechtmatig voor de zitting van de rechtbank was uitgenodigd en dientengevolge niet was verschenen. In cassatie klaagde belanghebbende dat hij daarom niet in gelegenheid was geweest een stuk aan de rechtbank te overleggen en dat het hof de zaak had moeten terugwijzen naar de rechtbank. De Hoge Raad volgde belanghebbende daarin echter niet, nu het hof in hoger beroep wel kennis had genomen van het stuk. De zaak was in hoger beroep dus wel volledig feitelijk behandeld.

Dit knelt. In haar noot bij dit arrest (NTFR2012/2491) merkt Niessen-Cobben terecht op dat met het oordeel van de Hoge Raad dat belanghebbende geen nadeel heeft ondervonden van het missen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, een voorschot wordt genomen op een “eventueel leermoment”. Immers, de Hoge Raad overweegt dat belanghebbende kennelijk bij de feitelijke instanties dezelfde onderbouwing heeft gegeven. Te meer zou hij gebaat zijn geweest bij een behandeling in eerste aanleg, waardoor hij wellicht in hoger beroep andere feiten en omstandigheden had aangevoerd.

Behoudens gevallen waarin partijen uit proceseconomisch oogpunt opteren voor een beslissing op feitelijke kwesties door het hof, lijkt een onvolledige behandeling in eerste aanleg in beginsel een ongewenst verlies van instantie. Elke zaak verdient een volledige behandeling in eerste aanleg. Desgewenst krijgen partijen in tweede instantie een – volledige – tweede kans.

 

Volledige feitelijke behandeling

Al met al is het dan ook een mooie beslissing van het hof Amsterdam: belanghebbende heeft haar eerste instantie teruggekregen. Het is dus van belang om er in een procedure op aan te dringen dat alle relevante stukken door de inspecteur worden overlegd, zodat de rechtbank tot een volledige beoordeling van belangrijke feitelijke kwesties kan komen. Indien dit niet gebeurt en het hof in hoger beroep toch geen aanleiding ziet tot terugwijzing, kan er zomaar een feitelijke instantie aan uw neus voorbijgaan.     

 

[1] Op grond van artikel 8:42 Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de rechter en aan belanghebbende te overleggen.