De Hoge Raad heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 10.473.681 vernietigd, omdat de inspecteur het unierechtelijke verdedigingsbeginsel had geschonden. [1] Het arrest is geannoteerd door F.J.P.M. Haas, in het dagelijks leven raadsheer bij het gerechtshof Amsterdam, die spreekt over een “(excessief) formele benadering van de Hoge Raad” en zich een “rechtvaardiger” uitkomst had kunnen voorstellen. Dat vraagt om een reactie van de verdediging.
Het arrest bevat op zich niet heel veel nieuws (zoals de annotator ook opmerkt). De inspecteur is op grond van het verdedigingsbeginsel gehouden de belastingplichtige in de gelegenheid te stellen zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat een besluit wordt genomen. En dat brengt mee, zo herhaalt de Hoge Raad, dat de inspecteur “de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan de naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen.” Daar is geen woord Spaans bij en lijkt mij door de inspectie ook niet te kunnen worden misverstaan.
Verder moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en tijdig uitnodigen om zijn standpunt kenbaar te kunnen maken. Dit alles moet altijd, ook als het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle en de belastingplichtige al op de hoogte is van de feiten die aan de voorgenomen aanslag ten grondslag liggen, zo scherpt de Hoge Raad aan. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat het verdedigingsbeginsel er juist op is gericht de elementen waarop de aanslag zal worden gebaseerd zorgvuldig vast te stellen, en dat de belastingplichtige de kans moet krijgen zelf bepaalde feiten aan te voeren.
Ik zie eerlijk gezegd niet waarom dit nu zo’n extreem formalistische benadering zou zijn. Het unierechtelijke verdedigingsbeginsel is fundamenteel van aard en dient hoog in het vaandel te worden gehouden. Niet bij wijze van boterbriefje (dat zou pas formalistisch zijn), maar uit respect voor de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtige. Ook als deze in de ogen van de administratie een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, of als de controleurs anderszins gefrustreerd zijn geraakt door het verloop van het onderzoek. Juist dan, zou ik zeggen. Er wordt in de rechtspraak niet voor niets over de “eerbiediging” van de verdedigingsrechten gesproken.
De annotator geeft aan dat het zijn voorkeur zou hebben als gekeken wordt naar de vraag of “relevante en reële verweermogelijkheden daadwerkelijk in het gedrang zijn gekomen” en dat lijkt in zijn ogen niet het geval gelet op de communicatie die voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag tussen partijen heeft plaatsgevonden.
Dat (laatste) zou mij nu juist minder aanspreken. De communicatie die tijdens een boekenonderzoek plaatsvindt, staat in de regel in het teken van het controleren van de aangiften. Daarover kunnen tijdens de controle ook allerlei (tussentijdse) discussies rijzen (zo ook in het onderhavige geval). Dat levert nogal eens gespannen situaties op, zeker als een forse naheffing dreigt. Dan is meestal nog niet helder, welke standpunten op grond van welke feiten en omstandigheden uiteindelijk aan een aanslag ten grondslag zullen worden gelegd.
Wat is er nu op tegen dat de inspecteur even pas op de plaats maakt, opschrijft waarop de aanslag zal worden gebaseerd en de belastingplichtige uitnodigt hierop te reageren? Wellicht dat een procedure dan zelfs voorkomen kan worden. In het onderhavige geval werd de naheffingsaanslag in 2006 opgelegd en heeft de Hoge Raad de zaak 19 jaar later definitief afgedaan.
Overigens volgt uit de jurisprudentie dat een aanslag niet vernietigd wordt als de besluitvorming zonder schending van de rechten van de verdediging niet tot een andere afloop had kunnen leiden. Het andere-afloop-criterium biedt mijns inziens voldoende mogelijkheden een (eventueel) onterecht beroep op het verdedigingsbeginsel te pareren, ook voor het geval dat een schending er niet toe heeft geleid dat de verdedigingsmogelijkheden daadwerkelijk zijn geschaad. Dat de onderhavige zaak anders had kunnen aflopen was tussen partijen niet (meer) in geschil, hetgeen niet tot verbazing wekt, gelet op het klip en klare oordeel daarover van de Hoge Raad in een aanpalende zaak. [2] De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat de stukken van het geding “geen andere conclusie” toelieten dan dat de zaak anders had kunnen aflopen.
Van een extreem formalistische benadering lijkt mij geen sprake te zijn. De Hoge Raad geeft het verdedigingsbeginsel materiële inhoud. Onrechtvaardig is het oordeel van de Hoge Raad al evenmin, ook al ging het “materiële” fiscale geschilpunt om een aardige duit. Dat doet er even niet toe als de rechten van de verdediging in het spel zijn. Een arrest van de Hoge Raad is goed beschouwd nooit onrechtvaardig, althans niet als zijnde in strijd met het recht. Onbillijk misschien wel, maar dat is maar net hoe je het bekijkt. Wij zullen in ieder geval altijd voor de belangen van contribuabelen blijven strijden. En als we de arena van het Amsterdams hof betreden, zijn we extra alert.
[1] Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:903
[2] Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1850, BNB 2022/18, ook met noot van Haas