Skip to content

Jaarverslag Hoge Raad 2017

17 mei 2018

De Hoge Raad geeft in het jaarverslag 2017 weer het jaarlijkse kijkje in de keuken. De Hoge Raad gaat met de tijd mee en heeft voor een online jaarverslag gekozen in plaats van één pdf als jaarverslag. Een filmpje waarin de taken van de Hoge Raad worden toegelicht maakt daarvan deel uit. Uit het jaarverslag blijkt duidelijk dat de Hoge Raad rechtsontwikkeling als zijn kerntaak ziet. In dat kader wordt ingegaan op de toepassing van artikel 80a Wet RO en 81 Wet RO en de mogelijkheid van rechtbanken en hoven om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen alsmede de toekomstige mogelijkheid om advies aan het EHRM te vragen. De Hoge Raad benadrukt ook welke signalen aan de wetgever zijn gegeven en wat het gevolg is als de wetgever de handschoen niet oppakt.

 

De belastingkamer heeft 15,1% van de uitspraken met artikel 80a Wet RO afgedaan. In het jaarverslag wordt ingegaan op de conclusie van A-G Niessen van 28 maart 2017 waarin de werkwijze van de belastingkamer wordt beschreven. Onder verwijzing naar het daaropvolgende arrest wordt toegelicht waarom de suggestie van de A-G om met standaardmotiveringen te werken niet wordt gevolgd. Het feit dat de Hoge Raad deze conclusie in het jaarverslag opneemt bevestigt wel dat die conclusie als spoorboekje kan worden gebruikt voor de toepassing van artikel 80a Wet RO door de belastingkamer.

 

Ten aanzien van artikel 81 Wet RO benadrukt de Hoge Raad dat afdoening met dit artikel niet betekent dat de Hoge Raad de zaak niet serieus heeft bekeken. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft op het totaal van het aantal zaken dat is afgedaan 11,4% van de hofuitspraken vernietigd.

 

De Hoge Raad benadrukt dat ook de mogelijkheid van prejudiciële vragen bijdraagt aan de rechtsontwikkeling. Daarbij worden drie varianten onderscheiden:

  • Prejudiciële vragen van rechtbanken en hoven aan de Hoge Raad;
  • Prejudiciële vragen van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie;
  • De toekomstige mogelijkheid voor de Hoge Raad om vragen te stellen aan het Europese Hof voor de rechten van de mens.

 

Uit het jaarverslag blijkt dat de Hoge Raad deze mogelijkheden vindt bijdragen aan de rechtsontwikkelingen. De mogelijkheid voor rechtbanken en hoven om ook in strafzaken prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen wordt verwelkomd. Ten aanzien van de fiscale zaken wordt vermeld dat 3 zaken zijn ingestroomd en één uitspraak is gedaan. In de literatuur is al diverse keren gesignaleerd dat weinig feitenrechters prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen. De oorzaak daarvan is niet duidelijk. Wel blijft het voor zowel de gemachtigde als de feitenrechters van belang na te gaan of een zaak zich leent voor het stellen van vragen aan de Hoge Raad en die vraag ter zitting te bespreken.

 

Het feit dat de Hoge Raad in het jaarverslag de toekomstige mogelijkheid noemt om vragen aan het EHRM te stellen, geeft aan dat de Hoge Raad deze ontwikkelingen nauwgezet volgt. Ook deze mogelijkheid wordt door de Hoge Raad verwelkomd. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het niet voor de hand ligt dat de Hoge Raad daar vaak gebruik van zal maken. Wij menen dat deze mogelijkheid een verbetering oplevert omdat de Hoge Raad zich dan niet meer hoeft uit te laten over de uitleg van mensenrechten maar een vraag over de uitleg daarvan aan het EHRM kan voorleggen.

 

Een apart onderdeel van het jaarverslag zijn de signalen van de Hoge Raad aan de wetgever. Daarin worden vijf arresten genoemd waarin de Hoge Raad expliciet benoemt dat het aan de wetgever is om de wet aan te passen. De Hoge Raad vermeldt dat als de wetgever dit nalaat de rechter alsnog kan ingrijpen. Als voorbeeld wordt genoemd het ontbreken van wettelijke regels over het horen van anonieme getuigen. De Hoge Raad oordeelt dat het aan de wetgever is om dit te regelen en merkt in het jaarverslag op dat de Hoge Raad zich niet uitliet over de vraag of de mogelijkheid om getuigen anoniem te horen moet worden geboden. Dit arrest laat ons inziens de ruimte open voor de feitenrechter om getuigen anoniem te horen. Wij verwachten dat de wetgever hier mede gelet op de ontwikkelingen in de tipgeverzaak mee aan de slag gaat.

 

De Hoge Raad heeft ook weer een selectie gegeven van arresten waarin rechtsvragen spelen met een grote maatschappelijke betekenis. Genoemd worden:

1. Foto’s snelwegcamera’s (ANPR)
2. Pensioen- en lijfrenteaanspraken in verdragssituaties
3. Tax planning structuur en pleitbaar standpunt (Credit Suisse-arrest)
4. Verhoging WOZ-waarde

 

Uit deze geselecteerde arresten blijkt dat de rechtsontwikkeling vooropstaat maar dat ook de rechtsbescherming in acht wordt genomen. Een voorbeeld daarvan is het arrest waarin werd geoordeeld dat het gebruik van met ANPR camera’s gebruikte gegevens, zonder dat de Belastingdienst over een wettelijke grondslag beschikt om die gegevens te gebruiken, inbreuk maakt op het recht op privacy van artikel 8 EVRM. De naheffingsaanslagen werden vernietigd. Inmiddels heeft de wetgever aangekondigd een wettelijke grondslag voor het gebruik van dergelijke camerabeelden te creëren.

 

De rechtseenheid kwam aan bod in het Credit Suisse-arrest. In dat arrest maakte de Hoge Raad onder meer duidelijk dat het objectief pleitbaar standpunt van toepassing is in het fiscale boeterecht en het strafrecht.

 

Ook dit jaar pakt de Hoge Raad de rechtsvormende taak weer op. In het arrest van 4 mei 2018 worden rechtsregels gecreëerd over het inbrengen van digitale stukken. De ontwikkelingen op het gebied van het formele belastingrecht en het boeterecht gaan onverminderd door.