In de Wwft zijn diverse indicatoren opgenomen op basis waarvan kan worden beoordeeld of een bepaalde transactie ongebruikelijk is, en als dat het geval is, moet worden gemeld bij de toezichthouder. Het al dan niet opzettelijk niet melden van een ongebruikelijke transactie kan strafrechtelijk worden vervolgd. Normconform handelen afdwingen via het strafrecht is de norm geworden. We zien dan ook een toename in strafzaken waarbij een vervolging plaatsvindt voor Wwft-feiten. De vraag is echter of sprake kan zijn van kleurloos opzettelijk handelen als de beoordeling van een ongebruikelijke transactie plaatsvindt aan de hand van de subjectieve indicator. In hun artikel voor het TvS&O gaan Maaike Coenen en Kim Demandt in op de vraag.
Lees hier alvast een voorproefje:
Met de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) zijn zogenoemde ‘poortwachters’ aangesteld voor en belast met de bescherming van het financiële stelsel. Onderdeel van die hulp bij het bestrijden en voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering is dat een meldingsplichtige instelling ongebruikelijke transacties moet melden bij FIU-Nederland.
Of een transactie ongebruikelijk is, wordt bepaald door de aanwezigheid van de objectieve indicator dan wel subjectieve indicator. De subjectieve indicator is daarbij een vreemde eend in de bijt. De strafrechtelijke handhaving van de Wwft valt onder het economisch strafrecht en daarin geldt de leer van het kleurloos opzet. Maar op grond van de subjectieve indicator hoeft ‘pas’ te worden gemeld als sprake is van een ‘vermoeden’ of als er ‘aanleiding is om te veronderstellen dat’ sprake kan zijn van witwassen.
Het gaat daarbij uitdrukkelijk om de eigen beoordelingsruimte van de meldingsplichtige instelling. Zonder subjectieve invulling kan dus niet worden bepaald of de norm is overtreden. Daar
wringt het in onze optiek, omdat nu te gemakkelijk wordt gegrepen naar de inzet van het strafrecht en daarbij snel wordt geconcludeerd tot (kleurloos) opzettelijk handelen van de instelling.