Spring naar content

KrakVet: geen samenwerkingsplicht lidstaten bij dubbele heffing, wel plicht tot teruggaaf? BtwBrief 2020/58

In de btw is het materiële recht tot op zekere hoogte geharmoniseerd. Er zijn tal van bepalingen in de Btw-richtlijn en nationale wetten die beogen bevoegdheidsconflicten weg te nemen en onwenselijke dubbele heffingen tussen lidstaten te voorkomen. Het formele belastingrecht, zoals de nationale naheffings- en teruggaaftermijnen, blijft echter het terrein van de individuele lidstaten. Conflicten op dit gebied worden opgelost in de rechtspraak, niet door de Uniewetgever.

Veel oplossingen en regelingen komen voort uit zogenoemde ‘soft-law’-harmonisatie, waarbij aangestuurd wordt op een dialoog tussen lidstaten. In april 2018 werden prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ waarin – kort samengevat – tevens de vraag aan de orde kwam in hoeverre voor lidstaten een plicht bestaat tot samenwerking bij de dreiging van dubbele heffing. Inmiddels heeft het HvJ op 18 juni 2020 een prejudiciële beslissing genomen in deze zaak KrakVet Marek Batko (ECLI:EU:C:2020:485, zaak C-276/18, Krakvet). De uitkomst is met name materieel van belang voor de verduidelijking van het vervoersvereiste bij de afstandsverkopenregeling, maar bevat ook belangwekkende overwegingen die zien op de samenwerkingsplicht tussen belastingautoriteiten van lidstaten bij bevoegdheidsconflicten en dubbele heffing. Dit aspect blijft in de literatuur vaak onderbelicht. In deze bijdrage belicht ik dit samenwerkingsaspect van de prejudiciële beslissing, die met name voor de formele procespraktijk van wezenlijk belang is.

Lees verder.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. R.J. (Reinder) de Jong