Skip to content

Meerdere wegen leiden naar Rome

18 februari 2016

Onschadelijkmaking door beroepsverbod

 

Dat een beroepsverbod diep ingrijpt in het leven van een beroepsbeoefenaar mag duidelijk zijn. Een beroepsverbod heeft namelijk grote impact op het persoonlijke en maatschappelijke leven van de betrokkene, nog daargelaten de financiële gevolgen daarvan. Het is niet zonder reden dat het beroepsverbod in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen als straf en niet als maatregel: het voegt leed toe.  

Toch wordt het beroepsverbod steeds vaker aangewend als middel om te voorkomen dat iemand strafbare feiten pleegt in de uitoefening van zijn beroep. Onschadelijkmaking van de betrokkene is hier het primaire doel. Ook preventie en het zuiveren van bepaalde beroepsgroepen door de rotte appels eruit te halen spelen een rol. Hiertoe kunnen twee wegen worden bewandeld: de strafrechtelijke en de tuchtrechtelijke weg.

Strafrecht vs. tuchtrecht

Voor het via strafrechtelijke weg opleggen van een beroeps- of ambtsverbod moet het misdrijf waarvoor betrokkene wordt veroordeeld in de uitoefeningen van zijn ambt of beroep zijn begaan. Een beroepsverbod kan worden opgelegd als de wet dat expliciet toestaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een veroordeling voor witwassen, een flink aantal fraudedelicten en overtreding van de Wet op de economische delicten.

De strafrechter kan een beroepsverbod slechts voor een bepaalde periode opleggen, afhankelijk van de aard en duur van de hoofdstraf. In beginsel kan een beroepsverbod worden opgelegd voor ten minste twee en maximaal vijf jaren. Het belangrijkste verschil met het tuchtrechtelijk beroepsverbod is dat de strafrechtelijke variant het karakter heeft van een ontzetting van het uitoefenen van een beroep. Gedurende de aangewezen periode mag dit beroep niet worden uitgeoefend.

Diverse beroepsgroepen kennen daarnaast een eigen tuchtrecht, zoals het tuchtrecht voor vertrouwensberoepen als advocaat of notaris. Een beroepsverbod is de zwaarste maatregel die een tuchtrechter kan opleggen. Daarnaast kennen de verschillende tuchtrechtelijke regelingen andere maatregelen, zoals schorsing of schrapping.

Overlap

Het tuchtrecht wordt door het Openbaar Ministerie als volwaardig alternatief gezien om een veroordeelde het uitoefenen van een bepaald beroep te verbieden. Al eerder scheef Anke Feenstra over het indienen van tuchtklachten door het OM. Zie hierover de Actualiteit van 1 oktober 2015.

Een tucht- en een strafprocedure sluiten elkaar niet uit. Deze procedures kennen in wezen ook andere doelen: waar het strafrecht is gericht op de bescherming van de rechtsorde, is het tuchtrecht bedoeld ter bescherming van de kwaliteit en integriteit van de beroepsgroep. Geerstma en Slaghekke signaleren terecht dat deze procedures steeds meer naar elkaar toe groeien: een punitiever tuchtrecht en een strafrecht dat ook als doelstelling kent het ‘zuiveren’ van een beroepsgroep door het aanpakken van “beroepsmatige facilitators”.[1]

De uitspraak

Illustratief is een recente uitspraak van de Accountantskamer van 8 januari 2016.[2] Tegen de betreffende accountant liep een strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude. Tijdens doorzoekingen in het kader van dit onderzoek werden bovendien twee hennepplantages aangetroffen. De accountant werd door de Rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden ter zake van de onjuiste belastingaangiften. Het Openbaar Ministerie liet het hier echter niet bij en diende vervolgens ook een klacht in bij de Accountantskamer, zodat de accountant ook tuchtrechtelijk op het matje werd geroepen.

De Accountantskamer was duidelijk in haar oordeel. Het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften en het houden van een hennepplantage is strijdig met de beroepsethiek. De accountant wilde bovendien niets verklaren over wat hem werd verweten en liet het bij de mededeling dat hij in hoger beroep was gegaan tegen het veroordelende vonnis van de strafrechter. Volgens de Accountantskamer had hij de klacht onvoldoende weersproken met deze enkele mededeling, nu uit de strafzaak ruimschoots bewijs volgde dat hij rechtstreeks bij de belastingfraude betrokken was. Bovendien ging het argument van de accountant dat hij geen inhoudelijk verweer kon voeren niet op. Daartoe overwoog de Accountantskamer dat het OM had toegezegd dat alles wat de accountant in de tuchtprocedure zou verklaren niet in de strafprocedure zou worden ingebracht.

Ongeacht deze toezegging en de waarde die de Accountantskamer daaraan hecht, is het echter maar de vraag in hoeverre de betreffende accountant zich daadwerkelijk vrij heeft gevoeld om inhoudelijk verweer te voeren bij de tuchtrechter. Dit geldt ons inziens te meer nu de strafprocedure nog niet onherroepelijk geëindigd was. Afgezien van de juridische waarde van de toezegging van het OM, gaat het immers ook om de verklaringsvrijheid die de accountant zelf voelde. 

De Accountantskamer overwoog dat het gedrag van de accountant moest worden aangemerkt als oneerlijk en onoprecht handelen in zijn zakelijke betrekkingen. Hij had bovendien met zijn handelen het accountantsberoep in diskrediet gebracht. Wegens schending van de beginselen van integriteit en professioneel gedrag, besloot de Kamer tot doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor tien jaar.

Welke route?

Dat de onschadelijkmaking van de “gevaarlijke beroepsbeoefenaar” een speerpunt is mag duidelijk zijn. Kennelijk doet het er voor het OM ook niet zoveel toe hoe dit doel behaald wordt; áls het maar behaald wordt. In gevallen waarin een strafrechtelijke vervolging niet in de rede ligt, schakelt het OM dan ook steeds vaker de tuchtrechter in om “facilitators” toch op de vingers te tikken.

Dat laat onverlet dat in gevallen van zowel een straf- als tuchtrechtelijke procedure een vreemd soort samenloop kan plaatsvinden. Welke route het meest geëigend is zal per geval verschillen en afhangen van de vraag of het gaat om een straf of om het beschermen van een integere beroepsgroep. Door een punitievere inzet van het tuchtrecht, mede doordat het OM de gang naar de tuchtrechter sinds een aantal jaren heeft ‘ontdekt’ naast of zelfs als alternatief voor een strafrechtelijke procedure, wordt de scheiding tussen deze twee wegen echter steeds troebeler.

 

[1] J. Geertsma en M.M.R. Slaghekke, “Het ontzetten uit beroep of ambt”, NJB 2015/2170.
[2] FutD 2016/0143, ECLI:NL:TACAKN:2016:1. Uitspraak niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.