De oplichtingsbepaling staat centraal in de recente conclusie van advocaat-generaal Spronken. Wanneer is iemand werkelijk door listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot afgifte, en wanneer had het slachtoffer het bedrog gewoon moeten doorzien? De zaak laat zien hoe scherp de rechter balanceert tussen bescherming van de goedgelovige, naïeve mens en het uitgangspunt dat ieder verantwoordelijk is voor een minimum aan eigen voorzichtigheid.
Lees hier alvast een voorproefje van het artikel:
De feiten van de zaak
De verdachte in deze zaak werd vervolgd voor oplichting. De kern van de beschuldiging was dat hij door middel van valse voorwendselen en misleiding het slachtoffer had bewogen tot het afgeven van geld. De verdachte had zich voorgedaan als iemand die een aantrekkelijk aanbod deed, waarbij hij gebruik maakte van valse documenten, verzonnen namen en een geloofwaardig verhaal. Het slachtoffer, in de veronderstelling dat alles klopte, ging over tot betaling of afgifte.
Wat deze zaak bijzonder maakt, is dat de verdediging aanvoerde dat het slachtoffer de oplichting had moeten doorzien, juist gelet op de professionaliteit van het bedrijf in de betreffende branche. De leugens waren, zo stelde de verdachte, ‘evident’ voor wie enigszins oplettend was. Daarmee betoogde hij dat het causale verband tussen de misleiding en de afgifte ontbreekt: als je de truc had kunnen doorzien, ben je juridisch niet ‘bewogen’.
Lees het volledige artikel hier: #630: De naïeve mens als redelijke scepticus

