Skip to content

#225 Ook voor strafrechtelijke aansprakelijkheid moet de rechtspersoon vóór de natuurlijke persoon gaan  

19 juli 2021

Een strafbaar feit kan aan meerdere (rechts)personen worden verweten. Het kan de rechtspersoon zijn, maar ook diverse natuurlijke personen zoals bestuurders en toezichthouders. Anders dan in het civiele recht is er in het straf- en boeterecht geen ‘rangorde’ voor de aansprakelijkheid van rechtspersonen en natuurlijke personen. Maar omdat de dreiging van strafrechtelijke aansprakelijkheid ook kan leiden tot ‘bestuurders die hun handelen in onwenselijke mate laten bepalen door defensieve overwegingen’, zou die er wel moeten zijn. Dat was immers het argument van de Hoge Raad om die ‘rangorde’ in het civiele recht te introduceren.

 

Gebrekkig toezicht is geen strafrechtelijk verwijtbare schuld

In een onlangs gewezen arrest van het Hof in Den Haag [1] ging het om strafvervolging van een natuurlijke persoon: de voorzitter van de raad van toezicht van een stichting. De voorzitter werd vervolgd voor witwassen van door de bestuurder aan de stichting onttrokken gelden. De bestuurder zou valse leningsovereenkomsten en facturen hebben opgesteld. Het gaat om een strafrechtelijk onderzoek naar zorgfraude waarbij zes personen zijn aangehouden: de bestuurder van de stichting, diens vriendin, twee bestuurders van een projectontwikkelaar en twee leden van de raad van toezicht. Een accountant en medewerker zijn gehoord als verdachte. [2]

 

De voorzitter van de raad van toezicht werd verweten onvoldoende toezicht te hebben gehouden, waarvoor hij in eerste aanleg was veroordeeld wegens schuldwitwassen. Voor opzetwitwassen volgde bij de rechtbank en ook in hoger beroep vrijspraak, omdat ‘niet is gebleken dat moedwillig en doelbewust gebrekkig toezicht is uitgeoefend’. Wel is het hof van oordeel dat de toezichthouder de ‘op hem rustende zorgplicht heeft geschonden en dat hem kan worden verweten gebrekkig toezicht te hebben gehouden’.

 

Die nalatigheid betekent volgens het hof – terecht – niet dat de voorzitter had moeten vermoeden dat de geldbedragen in de valse jaarrekeningen afkomstig waren uit enig misdrijf. Er waren geen signalen die hem hadden moeten nopen tot verscherpt toezicht. Bovendien had de bestuurder er een belang bij om de voorzitter onwetend te houden met betrekking tot de (frauduleuze) gang van zaken.

 

In hoger beroep werd de voorzitter van de raad van toezicht onherroepelijk vrijgesproken [3] , ondanks het verwijt van nalatigheid in het houden van toezicht. Dit in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank [4]. Nader onderzoek had volgens de rechtbank moeten plaatsvinden, ondanks dat de medeverdachte valse leningsovereenkomsten en valse facturen had gebruikt om de onttrekkingen te verhullen. Het verschil in het oordeel van de rechtbank en dat van het hof zit er vermoedelijk in dat er volgens de Rechtbank Rotterdam signalen waren die noopten tot nader onderzoek. Het niet uitoefenen van toezicht, als er wel signalen zijn die nopen tot extra controle, leidde in dit geval bij de rechtbank tot een veroordeling van de voorzitter van de raad van toezicht.

 

Naast de voorzitter van de raad van tezicht volgde bij de rechtbank ook een veroordeling voor de bestuurder van de stichting [5], diens partner [6], de accountant [7] en een betrokkene die creditcards had uitgeleend aan medeverdachten [8]. In alle zaken (behalve laatstgenoemde) is hoger beroep ingesteld. Uit de gepubliceerde rechtspraak kan de conclusie worden getrokken dat de stichting zelf dus niet is vervolgd.

 

Vervolging van bestuurders én rechtspersoon?

Het arrest van Hof Den Haag en het vonnis van Rechtbank Rotterdam laten zien dat de strafvervolging in die specifieke zaken zich op de natuurlijke personen concentreerde en niet op de rechtspersoon. Dit lag anders bij de strafvervolging van de ING en ABN Amro wegens overtreding van de regels uit de Wwft. Nadat beide banken een transactie hadden geaccepteerd, is de focus pas later komen te liggen op de raad van bestuur. Drie voormalig bestuurders van de ABN Amro zijn als verdachte aangemerkt en er wordt onderzocht of zij worden vervolgd, zo volgt uit een Kamerbrief van de Minister van Financiën [9]. Een derde bank is mogelijk hetzelfde lot beschoren [10].

 

In de zaken omtrent ING en ABN Amro is besloten eerst de rechtspersonen strafrechtelijk te vervolgen. In de praktijk merk ik dat niet één lijn kan worden getrokken in financieel-economische strafzaken: wordt de rechtspersoon, de natuurlijke persoon, of worden beide strafrechtelijk vervolgd? Als het gaat om hoge transacties kan de voorzichtige conclusie wel worden getrokken dat het vooral rechtspersonen zijn die een dergelijke transactie sluiten.

 

Bange bestuurders

Naast een strafvervolging kan bij een vermeend strafbaar feit ook sprake zijn van verwijtbaar handelen volgens de civiele normen. Een strafbaar feit is per definitie handelen in strijd met de wet en levert in beginsel een onrechtmatige daad op [11]. In het civiele recht heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis of het plegen van een onrechtmatige daad, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. ‘Onder omstandigheden is evenwel, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder’. Dit onderscheid is er vanwege het ‘maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen’ [12].

 

Er geldt dus wel een ‘rangorde’ voor aansprakelijkstelling in het civiele recht. Waarom geldt dit niet ook in het straf- en boeterecht? De maatschappij en de economie zijn niet gebaat bij bange bestuurders, die risico-avers ondernemen, uit angst voor strafrechtelijke of civielrechtelijke aansprakelijkheid. In het civiele recht is daarom in eerste instantie de rechtspersoon aansprakelijk en de bestuurder alleen als hem een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt.

 

In het strafrecht kennen we die ‘rangorde’ niet. Terwijl de achterliggende gedachte voor de civielrechtelijke ‘rangorde’ ook geldt voor de afweging tussen strafvervolging van de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon [13]. De dreiging van strafrechtelijke aansprakelijkheid kan ook leiden tot ‘bestuurders die hun handelen in onwenselijke mate laten bepalen door defensieve overwegingen’. Het uitgangspunt in de ‘rangorde’ in het civiele recht zou ook het vertrekpunt in het strafrecht moeten zijn.

 

[1] Hof Den Haag 12 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1218.
[2] ‘Zes aanhoudingen in onderzoek naar verrijking bestuurder zorginstelling’, OM 4 juli 2016. Link: https://www.inspectieszw.nl/actueel/nieuws/2016/07/04/aanhoudingen-in-onderzoek-naar-verrijking-zorginstelling.
[3] Uit navraag bleek dat er geen cassatie is ingesteld.
[4] Rb. Rotterdam 18 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9924.
[5] Rb. Rotterdam 18 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9923.
[6] Rb. Rotterdam 18 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9920.
[7] Rb. Rotterdam 18 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9921.
[8] Rb. Rotterdam 18 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9925.
[9] Kamerstukken II 2020/21, 31 789, nr. 102.
[10] ‘Derde bank met problemen op controle witwassen’, NOS 11 juni 2021.
[11] Zie in vergelijkbare zin: Rb. Utrecht 15 augustus 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7748.
[12] HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959. Zie ook T. Bleeker, ‘De angst voor bange bestuurders ontrafeld’, NJB 2020/2300.
[13] Zie ook de blog van D. Doorenbos, ‘Zuinig met bestuurdersaansprakelijkheid’, Mr. 3 maart 2015, die dit ruim 6 jaar geleden al constateerde.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. K.M.G. (Kim) Demandt