In de Vaklunch van deze week stelt Judith de Boer de vraag, waarom niet kritischer wordt gekeken naar de inzet van het strafrecht (nog altijd het ultimum remedium) en het opportuniteitsbeginsel van het Openbaar Ministerie, om de overbelaste strafrechtketen meer lucht te geven.
Lees hier alvast een voorproefje:
Het is geen geheim dat de strafrechtketen overbelast is. Door capaciteitstekorten belanden strafdossiers in de shredder, wordt in procesafspraken vanwege tijdsverloop de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie beklonken en klaagt justitie steen en been over de werkdruk. Er ontstaan allerlei goede initiatieven: procespartijen zoeken elkaar op en efficiëntie voert steeds vaker de boventoon. Wij juichen die ontwikkelingen tot op zekere hoogte van harte toe, maar volgens mij zijn we er daarmee nog niet. Waarom zoekt men de efficiëntie met name aan de achterkant van de strafrechtketen? Waarom wordt ook niet eens kritischer gekeken naar de inzet van het strafrecht (nog altijd het ultimum remedium) en het opportuniteitsbeginsel van het Openbaar Ministerie?
Het strafrecht dient te worden ingezet als laatste redmiddel. Alleen als ingrijpen écht nodig wordt geacht en geen ander middel geschikt is, dient te worden gekozen voor vervolging. De ultimum remedium-gedachte lijkt echter op de achtergrond te zijn geraakt. De keuzes die worden gemaakt zijn soms ondoorgrondelijk, en als daar door de verdediging een vraag over wordt gesteld, verschuilt het Openbaar Ministerie zich al snel achter het opportuniteitsbeginsel. Dat beginsel houdt in dat het Openbaar Ministerie beslist in welke zaak wordt vervolgd, en welke niet. Het Openbaar Ministerie heeft hierin veel vrijheid. Uit de jurisprudentie volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie omdat vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Uit haar praktijk blijkt dat de afweging om de ene zaak te vervolgen en de andere niet moeilijk blijkt te doorgronden. Lees meer.

