Skip to content

Pakt het OM terecht accountants en notarissen harder aan?

01 oktober 2015

Op 23 september 2015 publiceerde het FD een artikel over de door het Openbaar Ministerie aangekondigde hardere aanpak van accountants, notarissen en mogelijk ook advocaten. De titel van het artikel (‘OM pakt accountants en notarissen harder aan’) geeft een enigszins vertekend beeld. Uit de tekst blijkt namelijk dat het niet om een hardere strafrechtelijke aanpak gaat, maar om de aanpak  door middel van tuchtrecht. Deze tuchtzaken vloeien voort uit fraudeonderzoeken van de FIOD. Het is een doorn in het oog van het OM, dat dienstverleners, zoals accountants, zich verschuilen achter de cliënt en het stellen dat ook zij zijn misleid. Op basis van de resultaten uit het opsporingsonderzoek wordt daarom in voorkomende gevallen een tuchtklacht ingediend tegen de dienstverlener.

 

Welke rol vervult het Openbaar Ministerie?

Voor strafvervolging van een dienstverlener moet het Openbaar Ministerie bewijs van opzettelijk handelen leveren. Die bewijslast valt het Openbaar Ministerie kennelijk zwaar. Het indienen van een tuchtklacht biedt dan een alternatief. Hoewel de integriteit van dienstverleners uiteraard moet worden gewaarborgd, menen wij dat daarin voor het Openbaar Ministerie geen rol is weggelegd. Het Openbaar Ministerie is belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten en heeft geen toezichthoudende functie. Het tuchtrecht is bedoeld om degene te beschermen die gebruik maakt van de dienstverlener. Juist die persoon is vaak medeverdachte in de strafzaak. Er kunnen dan ook vraagtekens worden gesteld bij deze samenloop van opsporing door het Openbaar Ministerie en het toezicht door de beroepsorganisatie op instigatie van het Openbaar Ministerie. Een verdachte dienstverlener heeft immers een zwijgrecht, maar kan mogelijk wel worden verplicht om informatie te verstrekken in een tuchtzaak. Bovendien is het de vraag of in een tuchtprocedure gesproken kan worden van ‘equality of arms’ als een strafzaak tegen de dienstverlener wordt geseponeerd wegens gebrek aan bewijs en de dienstverlener zich vervolgens pas in een tuchtprocedure kan verdedigen tegen de (eenzijdige) resultaten uit het opsporingsonderzoek. Aan hem staan in een tuchtzaak immers niet dezelfde mogelijkheden tot onderzoek à decharge ter beschikking als in een strafzaak.

 

Onvoldoende gestraft?

Hoewel het indienen van een tuchtklacht ingegeven lijkt te zijn door bewijsnood van het Openbaar Ministerie mag de gang naar de tuchtrechter, zo meldt het artikel, niet worden gezien als ‘second best’. In dat kader wordt opgemerkt dat de dienstverlener bij een strafrechter kan ‘wegkomen’ met een boete. Een sanctie van de tuchtrechter, zoals een berisping of doorhaling, heeft volgens het Openbaar Ministerie een blijvend effect. Het is verbazingwekkend dat het Openbaar Ministerie een door de strafrechter opgelegde boete bagatelliseert. Het behoeft geen betoog dat ook een geldboete, na een veelal langdurig strafrechtelijk onderzoek en een openbare terechtzitting, niet als ‘wegkomen’ wordt ervaren. Bovendien kan in de strafzaak ook een beroepsverbod worden opgelegd en loopt de dienstverlener ook na een strafrechtelijke veroordeling nog tuchtrechtelijke risico’s.

 

Hand in hand

Het Openbaar Ministerie heeft in de afgelopen jaren 22 tuchtklachten ingediend tegen accountants. Van de 22 zaken is in 16 gevallen een maatregel opgelegd, zoals berisping of schorsing. Ook in onze praktijk hebben wij gemerkt dat het Openbaar Ministerie niet schroomt om na – of ook wel naast – een strafrechtelijk onderzoek ook de tuchtrechter in te schakelen. Uit het artikel blijkt dat een strafzaak in de toekomst steeds vaker hand in hand zal gaan met een tuchtprocedure. Dat lijkt ons geen wenselijke ontwikkeling.