De Hoge Raad heeft recent in een arrest (na cassatie in het belang der wet) korte metten gemaakt met de pilot van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin getuigen niet door de raadsheer-commissaris (hierna: RHC), maar door een senior gerechtsjurist (hierna: SGJ) werden gehoord.[1] De kern is glashelder. Het Wetboek van Strafvordering kent geen basis voor het uitbesteden van het rechterlijk getuigenverhoor aan een gerechtsambtenaar. Instemming van OM en verdediging heelt die ondeugdelijke basis niet. Daarmee markeert de Hoge Raad een principiële grens aan “innovatieve” werkprocessen die botsen met het legaliteitsbeginsel en de waarborgen van artikel 6 EVRM.
Het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden kampte met forse achterstanden bij het kabinet RHC. In een pilot werden in geselecteerde, “eenvoudige” zaken getuigenverhoren afgenomen door ervaren SGJ’s.[2] De RHC sloot het verhoor formeel af en was “in de buurt” voor incidenten. De verdediging en de advocaat-generaal moesten wel eerst instemming verlenen met deze werkwijze. Een externe evaluatie meldde tijdwinst en tevredenheid in de praktijk, maar de procureur-generaal stapte naar de Hoge Raad. Zonder wettelijke grondslag was het verleggen van een rechterlijke kernbevoegdheid, volgens de procureur-generaal, niet geoorloofd.
Wet gaat vóór werkdruk
De Hoge Raad zet het kader compact en overtuigend neer. De regeling van getuigenverhoren in het kabinet van de (raadsheer‑)commissaris is dwingend. Artikel 210 Sv bepaalt dat de rechter‑commissaris de getuige verhoort.[3] Een SGJ is geen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast en komt in dit stelsel eenvoudigweg niet in beeld als degene die het verhoor mag afnemen. Alleen als de RHC op de voet van artikel 177 Sv een opdracht geeft aan een opsporingsambtenaar, vindt het verhoor gedelegeerd plaats, met andere regels en waarborgen. Juist die afwijkende waarborgen onderstrepen dat “vervanging” binnen het RC‑kader niet is beoogd en niet kan worden ingelezen.
Belangrijk is ook de principiële boodschap. Strafvordering heeft uitsluitend plaats op de wijze bij de wet voorzien. Het argument “de wet verbiedt het niet uitdrukkelijk” snijdt geen hout. Dit draait het legaliteitsbeginsel om. De Hoge Raad volgt daarmee de lijn die de procureur‑generaal al uitwerkte. De keuze om getuigen onder dreiging van verschijnings‑ en waarheidsverplichtingen door een rechter te laten horen, is juist vanwege die dwangmiddelen en de rechterlijke waarborgen bewust wettelijk verankerd. Dat kun je niet met een organisatorische pilot “optimaliseren”.
Instemming heelt niet en waarborgen zijn niet uit te besteden
De Hoge Raad maakt korte metten met twee veelgehoorde kritiekpunten. Ten eerste heelt instemming van de verdediging en het OM het ontbreken van een wettelijke basis niet. De bijzondere positie en verantwoordelijkheden rond het rechterlijk ambt zijn niet overdraagbaar. Ten tweede verandert een formele “sluiting” door de RHC (zelf) achteraf niets aan het wezen van het verhoor.
De vraagstelling, regie, bewaking van het verschoningsrecht en het beletten van vragen zijn immers uitgeoefend door iemand zonder rechterlijk mandaat. Dat tast niet alleen de wetssystematiek aan, maar raakt ook aan de eis van een “bij wet ingesteld” en onafhankelijk gerecht in de zin van artikel 6 EVRM: handelen conform de nationale bevoegdheidsverdeling is onderdeel van die waarborg.
Cassatie in het belang der wet: geen effect op partijen, maximale duidelijkheid voor de praktijk
De Hoge Raad vernietigt de beslissing van de RHC in het belang der wet. Daarmee blijven de concrete rechten van partijen in de onderliggende zaak onaangetast, maar is de rechtsontwikkeling helder. Verhoren door SGJ’s binnen het RHC‑kader zijn onwettig. Dat is precies de kracht van deze cassatievorm. Zonder individuen te belasten met extra procedures, wordt rechtseenheid gewaarborgd en worden grenzen getrokken voor toekomstige zaken.
Stop, herijk en herstel waar nodig
De boodschap voor de rechtspraak is duidelijk. Pilots of interne werkafspraken die de kernbevoegdheden van de (raadsheer‑)commissaris “organisatorisch” verleggen, moeten per direct stoppen, voor zover ze al niet waren gestaakt na het ingestelde cassatieberoep. In lopende zaken rijst de vraag naar het rechtsgevolg van reeds afgenomen verhoren door SGJ’s.
Het arrest zelf zegt daar niets over. Het gaat immers om rechtsvorming, niet rechtsbescherming. Wel ligt het in de rede dat feitenrechters bij bezwaren van de verdediging bezien of herstel vereist is door het verhoor opnieuw door de RHC te laten plaatsvinden, of de bewijskracht van het eerdere verhoor te relativeren.
Dat sluit aan bij het uitgangspunt dat schendingen van procedurele waarborgen in beginsel met een passend herstelmiddel worden gecorrigeerd, en dat niet‑wettig verkregen materiaal niet zonder meer tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden als effectief herstel mogelijk is. Maar de primaire route is eenvoudig. Doe wat de wet voorschrijft en laat de RHC zijn eigen verhoren afnemen.
Rechtszekerheid boven doorlooptijd
Op de achtergrond speelt het wetsvoorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering.[4] De memorie van toelichting benadrukt nog eens dat het opdragen van verhoren aan opsporingsambtenaren geen RC‑verhoor is en geen capaciteitstruc mag zijn.[5] Voor structurele “hybride” vormen (bijvoorbeeld een SGJ die onder regie de vragen stelt in aanwezigheid van de RHC) biedt het huidige noch het voorgenomen stelsel een basis. Als de rechtspraak duurzame organisatie‑innovaties wil, is dat een politiek‑wetgevende keuze, niet een bestuurlijke. Tot die tijd gaat rechtszekerheid boven doorlooptijd.
Innovatie binnen de lijnen
Niemand betwist de urgentie van tijdige rechtspraak. Maar de oplossing mag geen afbreuk doen aan de rechtsstaat. Het is prijzenswaardig dat een hof de achterstanden wilde aanpakken en de kwaliteit bewaakte, maar juist bij kerntaken van de rechterlijke macht zijn de lijnen van de wet en het EVRM hard. De Hoge Raad trekt die lijnen scherp. Dat is gezond voor de rechtspraktijk, fair voor procespartijen en heilzaam voor het vertrouwen in de strafrechtspleging. Innovatie is welkom, mits binnen de wet. En waar de wet kraakt, is het de wetgever die aan zet is. Niet de rechtspraak met een pilot.
[1] Hoge Raad 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1434.
[2] Zie www.baliebulletin-middennederland.nl/nieuwsbrief-strafrecht/
[3] Via de verwijzingsbepalingen in hoger beroep (art. 411a en 420 Sv) geldt dat mutatis mutandis voor de RHC.
[4] Het wetsvoorstel is op 1 april 2025 aangenomen door de Tweede Kamer en is momenteel aanhangig bij de Eerste Kamer. Dit voorstel bevat bepalingen met – voor zover hier relevant – dezelfde strekking als de artikelen 172 lid 1, 177 lid 1, 210 lid 1, 411a en 420 leden 1-3 Sv.
[5] Kamerstukken II, 20222023, 36 327, nr. 3, p. 754-755 (MvT bij Vaststelling nieuw Wetboek van Strafvordering).