Een zoekslag op www.rechtspraak.nl leert mij dat door de Gerechten en het Gemeenschappelijk Hof in ruim twintig zaken prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. Daarvan heeft één zaak – deze zaak – betrekking op grondbelasting in Aruba. Een unicum dus, als ik het goed heb gezien. Deze mogelijkheid bestaat vanaf 1 maart 2017 (op grond van art. 1c Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, Stb. 2016, 291). Hierdoor is art. 27ga t/m 27ge AWR van toepassing verklaard.
Op het moment van schrijven van dit commentaar is de status van de prejudiciële vragen ‘ingekomen’. Dit overzicht is terug te vinden op de website van de Hoge Raad. Vermoedelijk wordt eerst conclusie genomen door een advocaat-generaal, voordat de Hoge Raad zich over de zaak buigt.
Het gaat om een aanslag grondbelasting in Aruba die per tijdvak van vijf jaar van tevoren wordt vastgesteld (in dit geval 2017-2021). Het tarief wijzigde per 1 januari 2019 van 0,4% naar 0,6%. Met name de tweede prejudiciële vraag vind ik interessant: is de wetswijziging een nieuw feit?
Lees hier alvast een voorproefje: Aan belanghebbende is op 31 mei 2019 een aanslag grondbelasting (GB) 2019 opgelegd met toepassing van het sinds 1 januari 2019 wettelijk geldende hogere tarief van 0,6%. In de Landsverordening grondbelasting (LGB) is bepaald dat de aanslag geschiedt voor een tijdvak van vijf jaren (art. 14, lid 2, LGB), dat de aanslagen worden opgenomen in voor elk vijfjarig tijdvak op te maken leggers (art. 21 LGB) en dat met de vaststelling van de aanslagen wordt aangevangen in de maand oktober, voorafgaand aan elk vijfjarig tijdvak (art. 23, lid 1, LGB). Het vijfjarig tijdvak loopt van 2017 tot en met 2021. Belanghebbende stelt zich op grond van de wettelijke bepalingen op het standpunt dat de aanslag niet naar het met ingang van 2019 geldende hogere tarief kan worden opgelegd.
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) maakt gebruik van de sinds 1 maart 2017 bestaande mogelijkheid om op grond van art. 1c Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad vanuit het Caribische deel prejudiciële vragen te stellen. De volgende prejudiciële vragen worden in de tussenuitspraak gesteld: