Zoals gebruikelijk besteden wij aandacht aan Prinsjesdag. Dit jaar zijn we helaas snel klaar. In deze Hertoghs Beschouwt presenteren wij dan ook graag ons wensenlijstje voor verbetering van de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Waar zijn de voorstellen voor het schuldonderzoek en de vereenvoudiging van de aanslagregeling gebleven? En wanneer wordt ingegrepen in de bepalingen over de informatieverplichtingen en de op de zaak betrekking hebbende stukken die stammen uit het papieren tijdperk? De digitalisering en het recht op privacy nopen tot aanpassingen.
Wat kwam wel aan bod?
Op het gebied van formeel recht is slechts één wijziging relevant en die ziet op de uitzondering voor de Belastingdienst voor enkele elektronische berichtenstromen.
Per 1 januari 2027 wordt de elektronische notificatieplicht uit de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) aangevuld.[1] Bestuursorganen zijn vanaf dat moment verplicht informatie op te nemen over de aard en rechtsgevolgen van het bericht en, voor zover van toepassing, over de termijn waarbinnen de geadresseerde een handeling moet verrichten. Dat wordt het handelingsperspectief genoemd. De Belastingdienst verwacht deze wijziging niet tijdig te kunnen doorvoeren voor de uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting, de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en de aanslag inkomstenbelasting. Daarom wordt voor deze berichtenstromen tijdelijk een uitzondering gemaakt op artikel 2:10 lid 2 Awb, die op 1 januari 2028 vervalt.
Ons wensenlijstje op formeelrechtelijk gebied
Het fiscale schuldonderzoek
Uit de geconsulteerde Fiscale verzamelwet 2025 bleek dat het ministerie van Financiën met het voorgestelde artikel 67h AWR, later vernummerd tot artikel 67i AWR, een expliciete wettelijke grondslag wilde creëren voor het fiscale schuldonderzoek in boetezaken.[2] Deze wijziging is tot op heden niet doorgevoerd. Op dit moment wordt een dergelijk onderzoek nog steeds gebaseerd op artikel 47 AWR, terwijl die bepaling primair is bedoeld voor de belastingheffing en niet voor het verzamelen van informatie ten behoeve van een boete. Deze gang van zaken roept, mede in het licht van artikel 6 EVRM en met name het nemo tenetur-beginsel, fundamentele vragen op over de rechtsbescherming van de potentiële boeteling.
Zie hierover ook Hertoghs Beschouwt #328 ‘Fiscale verzamelwet 2025 biedt onvoldoende waarborgen bij fiscale schuldonderzoek’. De voorgestelde wetswijziging kwam ook niet tegemoet aan deze vragen en de Raad van State adviseerde om het voorstel niet in deze vorm door te voeren. Toch blijft een wettelijke grondslag voor schuldonderzoek binnen het fiscale boeterecht van onverminderd belang. Wij zien graag dat de wetgever dit onderwerp opnieuw oppakt, maar dan met een regeling waarin niet alleen de onderzoeksbevoegdheid van de inspecteur, maar vooral de procedurele waarborgen voor potentiële boetelingen centraal staan.
Beleidsrichting direct aanpassen
Op 3 april 2024 ging de beleidsrichting ‘direct aanpassen’ in pre-consultatie.[3] Hoewel over dit onderwerp inmiddels veel is geschreven, is van een directe aanpassing van de wet vooralsnog geen sprake. De aangekondigde beleidsrichting lijkt voorlopig in de spreekwoordelijke lade te zijn beland. Wij kunnen ons vinden in de achterliggende doelstelling van de beleidsrichting: het moet voor burgers en bedrijven eenvoudiger worden om onjuistheden in de belastingheffing te herstellen en zo bij te dragen aan een rechtvaardiger en toekomstbestendiger fiscaal recht.
Deze beleidsrichting draagt naar onze mening evenwel niet bij aan het in evenwicht brengen van de verhouding tussen inspecteur en belastingplichtige. Zo werd voorgesteld de termijn tot het doen van een verzoek om ambtshalve vermindering in te korten van vijf naar drie jaar, bood de beleidsrichting de inspecteur de mogelijkheid voor navordering zonder voorwaarden voor drie jaar en de huidige navorderingstermijn zou worden verlengd van vijf naar acht jaar. Wij leverden op deze onevenwichtige aanpassingen de nodige kritiek.[4]
Ook het vereenvoudigen van het herstellen van aangiften zou door de wetgever weer moeten worden opgepakt, maar dan met een uitwerking die de rechtspositie van burgers en bedrijven daadwerkelijk versterkt in plaats van de bestaande disbalans verder vergroot.
De ruime informatiebevoegdheid van artikel 47 AWR onder druk
Op grond van artikel 47 AWR kan de inspecteur informatie opvragen die van belang kan zijn voor de belastingheffing. Een dergelijk informatieverzoek vormt een inbreuk op het recht op privacy. Door de voortgaande digitalisering wordt steeds meer informatie vastgelegd en opgeslagen, en is het eenvoudig om deze informatie te raadplegen. Dat, in combinatie met een ruim geformuleerde bevoegdheid als die van artikel 47 AWR, kan leiden tot zeer omvangrijke informatieverzoeken. Met deze informatie kan een gedetailleerd beeld van iemands privéleven ontstaan.
De Hoge Raad heeft zich al vaker gebogen over de verhouding tussen artikel 47 AWR en het recht op privacy en laat tot op heden veel ruimte aan de inspecteur. Een recente uitspraak van het EHRM van 6 januari 2026 werpt hier echter een nieuw licht op.[5] In die zaak benadrukte het EHRM dat de wettelijke grondslag voor het opvragen van informatie voldoende voorzienbaar en begrensd moet zijn. Hoe vergaander de inbreuk op het recht op privacy is, hoe preciezer de wettelijke grondslag moet zijn.
Artikel 47 AWR kent een ruime formulering en de AWR biedt slechts beperkte waarborgen tegen vergaande informatieverzoeken, met name bij derdenonderzoeken. De aanwezige waarborgen werken bovendien vooral achteraf. Voorafgaande toetsing is in het huidige stelsel nauwelijks mogelijk met name doordat de informatiebeschikking geen snelle uitspraak van de rechter bewerkstelligt en de inspecteur bepaalt of hij die beschikking neemt. Deze ontwikkeling noopt ertoe artikel 47 AWR opnieuw tegen het licht te houden.[6] De informatieverplichtingen in de AWR stammen nog grotendeels uit het papieren tijdperk en zouden moeten worden toegesneden op het digitale tijdperk, waarin de informatieverzoeken steeds diepgaander kunnen ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer.
Artikel 8:42 Awb in een digitaal tijdperk
Ook artikel 8:42 Awb verdient herijking in het digitale tijdperk. De bepaling stamt nog uit het papieren tijdperk waarin het relatief makkelijk was om na te gaan welke gegevens door de inspecteur waren gebruikt ten behoeve van zijn besluitvorming. De Belastingdienst kan tegenwoordig over grote hoeveelheden digitale informatie beschikken en maakt daar ook gebruik van. Het is lang niet altijd helder welke informatie de inspecteur tot zijn beschikking heeft gehad. Het mes snijdt aan twee kanten: als digitalisering het voor de Belastingdienst eenvoudiger maakt om informatie te verzamelen, moet zij ook bijdragen aan een vollediger en toegankelijker procesdossier voor de belastingplichtige.
In de praktijk ontstaan daarover nog te vaak discussies, mede doordat vaak onduidelijk is welke digitale stukken op de zaak betrekking hebben. Wij zouden daarom graag zien dat artikel 8:42 Awb wordt gemoderniseerd, zodat belastingplichtigen effectief kunnen controleren op welke informatie de inspecteur zijn standpunt baseert. Daarbij moet ook aandacht worden besteed aan de verschillende programma’s en applicaties waarin informatie wordt opgeslagen en hoe die informatie met de rechterlijke macht kan worden gedeeld. Bij de gefaseerde invoering van het inzagerecht van artikel 66a AWR wordt verwezen naar artikel 8:42 Awb. Daarbij zal ook aandacht moeten worden besteed aan de digitale dossiervoering en ontsluiting van digitale informatie.
Tot slot
Hoewel op formeelrechtelijk terrein dus op verschillende punten verbetering wenselijk is, bleef het op Prinsjesdag opvallend stil bij het presenteren van concrete fiscale maatregelen op dit vlak. Wie weet pakt de wetgever de handschoen op en zien we wetgeving op deze onderwerpen de komende tijd voorbijkomen. Deze wijzigingen horen wat ons betreft ook niet in een Belastingplan thuis, maar verdienen een apart wetsvoorstel met een zorgvuldige toetsing.
[1] Kamerstukken II 2018/19, 35261, nr. 3, p. 41.
[2] Al eerder publiceerden wij het volgende artikel over de implicaties van dit wetsvoorstel: Schuldonderzoek ook bij de adviseur -TFB 2023-08.
[3] Nieuw aanslagsysteem Direct Aanpassen: de fiscus de lusten, de burger de lasten – NTFR 2024/806.
[4] Zie ook Hertoghs Beschouwt #358.
[5] FERRIERI AND BONASSISA v. ITALY.
[6] Zie ook Hertoghs Beschouwd #439.