Spring naar content

#376 Prinsjesdagperikelen: wijzigingen in het fiscale boeterecht

23 september 2024

Wat heeft Prinsjesdag teweeggebracht voor het fiscale boeterecht? Allereerst goed nieuws: het fiscale schuldonderzoek moet terug naar de tekentafel. Het kabinet volgt het advies van de Raad van State en gaat het voorstel in lijn brengen met de onschuldpresumptie. Ondertussen is met het Belastingpakket 2025 wél de boetetermijn voor deelnemersboetes verlengd van 5 naar 12 jaar. Wat betekent dat voor adviseurs of accountants als mogelijke ‘medeplegers’?

Deelnemersboete

Sinds 2009 heeft de inspecteur de mogelijkheid gekregen om naast plegers van beboetbare feiten ook fiscale boetes op te leggen aan zogenaamde deelnemers, zoals de medepleger. Deze boete is een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM. Inmiddels zijn we 15 jaar verder en blijft het kabinet aanleiding zien om de mogelijkheden om ‘deelnemers’ te beboeten uit te breiden. Na een uitbreiding van de deelnemersvormen in 2014 naar onder meer doen plegen en uitlokking volgt nu een aanzienlijke verlenging van de termijn. Dit is te meer opmerkelijk nu beboeting van deelnemers tot op heden niet vaak voor komt en een aantal deelnemersboetes met niet mis te verstane bewoordingen door de rechters zijn vernietigd.

Fiscale schuldonderzoek

Mijn kantoorgenoten Angelique Perdaems en Judith Gijsen waren in een artikel van december 2023 in het Tijdschrift Formeel Belastingrecht al kritisch op de plannen voor het invoeren van een schuldonderzoek in de Fiscale Verzamelwet 2025. Het daarin voorgestelde artikel 67h AWR schepte met name voor de verdachte deelnemer zoals de belastingadviseur nieuwe vergaande verplichtingen. Wij vonden het zeer problematisch dat was nagelaten een aantal essentiële randvoorwaarden voor rechtsbescherming op te nemen. Het voornaamste bezwaar is dat het voorgestelde artikel tot gevolg zou hebben dat een potentiële boeteling onder dwang moet meewerken aan zijn eigen beboeting. Dat is in strijd met het nemo tenetur-beginsel.

Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat een bepaalde mate van dwang is toegestaan om heffingsdoeleinden te dienen, maar het fiscale schuldonderzoek dient nu juist geen heffingsdoel! De daarin opgenomen informatieplicht dient dus enkel de beboeting. In het strafrecht zijn zulke meewerkverplichtingen juist uitdrukkelijk uitgesloten. De verdachte hoeft immers niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

De Raad van State ziet dezelfde bezwaren en de maatregel is voorlopig dan ook terug naar de tekentafel verwezen. To be continued.

Wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet: verlenging boetetermijn

Het Wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2025 bevat de verlenging van de boetetermijn voor deelnemers tot 12 jaar (voorgesteld artikel 67ob AWR[1]). Waar komt de veronderstelde noodzaak tot deze termijnverlenging vandaan? In de toelichting bij het Wetsvoorstel wordt vooral benadrukt dat bij de termijnbepaling voor een deelnemersboete is aangesloten bij de termijnen voor het opleggen van een belastingaanslag aan de belastingplichtige zelf.[2] In situaties waarin bij de belastingplichtige een navorderings- en naheffingstermijn van twaalf jaar of onbeperkt geldt dan, is die termijn op dit moment niet vergelijkbaar met de boetetermijn voor deelnemers.

Volgens het kabinet kan dat leiden tot de “onwenselijke situatie” waarin navordering of naheffing en beboeting bij de belastingplichtige mogelijk is vanwege de verlengde heffingstermijn, terwijl beboeting van een ander, bijvoorbeeld een betrokken adviseur of een feitelijk leidinggever, niet langer mogelijk is vanwege verloop van de termijn. Het kabinet stelt nu 15 jaar na invoering van de deelnemersboetes dat dit niet de bedoeling is geweest bij de invoering van de deelnemersboete. Met die toelichting moeten we het doen.

Dat terwijl de termijnverlenging naar 12 jaar de nodige (bewijs)problemen kan opleveren. Denk dan aan de bewaartermijn van 7 jaar of adviseurs die wellicht niet meer bij het kantoor werken. Waar haal je dan je informatie vandaan? Ook wordt het bij langere termijnen steeds lastiger om uit het geheugen te putten.

Overgangsrecht: verjaard blijft verjaard

De voorgestelde wijzigingen treden in werking per 1 januari 2025. Om te voorkomen dat de voorstellen in strijd komen met het legaliteitsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel, wordt overgangsrecht voorgesteld. De bevoegdheid om aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op te leggen herleeft niet als die bevoegdheid bij inwerkingtreding al is vervallen. Een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Het kabinet ziet terecht geen aanleiding om van dit strafrechtelijke uitgangspunt af te wijken ten aanzien van fiscaal bestuurlijke boetes.

Wat is het doel?

Met de voorgestelde uitbreidingen, ook het fiscale schuldonderzoek dat voorlopig naar de achtergrond verdwijnt, wil het kabinet steeds weer kijken naar mogelijkheden om zaken die reeds gepasseerd zijn zo breed mogelijk te kunnen bestraffen. Ook blijven de deelnemersboetes kennelijk een belangrijk instrument voor de Belastingdienst. Een erg optimistisch vertrekpunt is de termijnverlenging overigens niet. Wat er zo “onwenselijk” is aan de reguliere verjaringstermijn voor deelnemers blijft wat onduidelijk. Kan het kabinet zich niet beter op de actualiteit richten in plaats van mogelijkheden uit het verleden uit te breiden?

Wilt u meer lezen over het fiscale boeterecht? Lees dan ook dit interview met Angelique Perdaems over boeteonderzoek.

[1] Met de voorgestelde wijziging van artikel 67ob AWR wordt beoogd dat de inspecteur een ander dan de belasting- of inhoudingsplichtige gedurende een periode van twaalf jaar kan beboeten, indien hij zijn bevoegdheid tot belastingheffing ontleent aan de artikelen 16, vierde lid, of 20, vierde lid, AWR of artikel 66, vierde lid, van de Successiewet 1956 (SW 1956). In die bepalingen is – in afwijking van de hoofdregel – voor specifieke situaties voorzien in een verlengde navorderings- of naheffingstermijn van twaalf jaar of in een onbeperkte navorderingstermijn.
[2] Omdat bij het opleggen van een deelnemersboete niet de voorwaarde geldt dat de verzuim- of vergrijpboete gelijktijdig met of uiterlijk bij het vaststellen van de belastingaanslag wordt opgelegd, is voorzien in een afzonderlijke termijnbepaling voor een dergelijke beboeting