Verdachten willen doorgaans snel van hun zaak af en zijn daarom soms bereid concessies te doen als zo tot een efficiënte afdoening kan worden gekomen. Het OM heeft daarmee een sterke onderhandelingspositie als het gaat om procesafspraken. Luce Smithuijsen legt in de Vaklunch uit waarom het van belang is de waarborgen ex artikel 6 EVRM bij procesafspraken goed in het oog te houden.
Lees hier alvast een voorproefje:
We schreven al meerdere keren over procesafspraken en het laatste woord is er voorlopig zeker nog niet over gezegd. Onlangs stelde Procureur-Generaal Bleichrodt cassatie in het belang der wet in, waarmee hij aandacht vroeg voor de rechtsbescherming van de verdachte bij het maken van procesafspraken (zie #480). De Hoge Raad zal binnenkort duidelijkheid scheppen over het aan te leggen toetsingskader, maar in de tussentijd leggen rechters nog altijd hun eigen maatstaven aan – met zeer wisselende uitkomsten. Zo maakte rechtbank Noord-Holland onlangs korte metten met tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte procesafspraken.
Hoe zat het ook alweer? Het maken van procesafspraken houdt in dat de verdediging en de officier van justitie samen een afdoeningsvoorstel formuleren en dit voorleggen aan de rechter. Doorgaans houden de afspraken in dat beide partijen bepaalde concessies doen (bijvoorbeeld een lagere strafeis tegenover het afzien van het voeren van bepaalde verweren). Op deze manier kan snel en efficiënt tot een afdoening worden gekomen. De rechter houdt echter altijd de verantwoordelijkheid voor de beantwoording van de vragen in artikelen 348 en 350 Sr en is dus op geen enkele manier gebonden aan de gepresenteerde afspraken. De rechter (be)oordeelt of de procesafspraken inhoudelijk en processueel een adequate basis vormen voor de behandeling van de zaak. Daarbij is van groot belang dat de rechter bewaakt of de verdachte goed en volledig geïnformeerd van bepaalde rechten afstand doet, met het oog op het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM).
Volgens rechtbank Noord-Holland is een van de eisen die aan procesafspraken kunnen worden gesteld dat partijen een passend vertrekpunt voor de straf overeenkomen “vanuit een gedeeld inzicht in de bewijsbaarheid en de bewijsconstructie”. De rechtbank toetst daarom of de beantwoording van de bewijsvraag op basis van haar eigen beoordeling in grote lijnen hetzelfde zal luiden als hetgeen door partijen is overeengekomen. Op basis daarvan kan immers een gangbare strafeis worden vastgesteld.
Gepubliceerd door onze specialist:
Sorry, er konden geen items worden gevonden.