Plannen Staatssecretaris
Staatssecretaris Van Rij heeft zijn plannen aan de Tweede Kamer toegelicht. Voor de groep bezwaarmakers dienen de aanslagen binnen de termijn van zes maanden te worden verminderd (vóór 4 augustus) door de Belastingdienst. De wijze waarop moet nog worden bepaald. Dat kan de forfaitaire spaarvariant worden, waarbij de spaarrente die per jaar gold als uitgangspunt wordt genomen, wat neerkomt op een rente van 0,25% in 2017 aflopend naar ongeveer 0% in de jaren vanaf 2018. Het kan ook de bredere forfaitaire variant worden, waarin ook voor de andere vermogenscategorieën, zoals beleggingen, per jaar een rendement wordt bepaald dat de werkelijkheid in het betreffende jaar benadert in plaats van een gemiddelde rendement over meerdere jaren.
De beslissing of aan niet (tijdig)-bezwaarmakers rechtsherstel wordt geboden, schuift de Staatssecretaris voor zich uit. Hij verwacht dat de Hoge Raad binnen zes maanden arrest wijst in een procedure waarin via ambtshalve vermindering wordt verzocht om de box 3-heffing terug te draaien. In die procedure is de tweede conclusie van Advocaat-generaal (A-G) Niessen op 21 april jl. gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2022:293). Hij adviseert de Hoge Raad verzoeken om ambtshalve vermindering, die vóór het Kerstarrest (box 3-arrest van HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 ) zijn gedaan, toe te wijzen. Dat is het geval in die procedure.
Aanvullende conclusie A-G Niessen
Een verzoek om ambtshalve vermindering dat ná het Kerstarrest is gedaan, kan volgens de A-G daarentegen worden afgewezen omdat het Kerstarrest als nieuwe jurisprudentie wordt gezien. In dat geval bepaalt artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001 dat geen ambtshalve vermindering hoeft plaats te vinden. Op het feit dat dit slechts in een Uitvoeringsregeling is bepaald, en niet in een wet, gaat hij niet expliciet in. Wel toetst de A-G of het “evident onredelijk” is om het verzoek af te wijzen. Hij meent dat dit niet het geval is. Hij verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019 waarin voor de box 3-heffing die tot 2017 gold, is geoordeeld dat sprake is van een schending van het eigendomsrecht. Belastingplichtigen en adviseurs zouden daardoor moeten weten dat beweging zat in de jurisprudentie over box 3 en hadden om die reden bezwaar moeten maken.
Ik meen dat die redenering niet opgaat, omdat juist als gevolg van de eerdere kritiek op de box 3-heffing sinds 2017 een nieuwe forfaitaire box 3-heffing is ingevoerd. Een belastingplichtige moet er dan toch van uit kunnen gaan dat die nieuwe wetgeving wel voldoet en dat de bezwaren die tegen de oude heffing bestonden, zijn weggenomen? Niets blijkt nu minder waar. Door een toename van ficties kwam de heffing nog verder van de werkelijkheid te staan. Daar komt bij dat tot 2017 geen bezwaar hoefde te worden gemaakt om mee te lopen in de massaal bezwaarprocedure. Sinds 2017 is dat wel vereist. Naar mijn mening is het in dit specifieke geval dan ook evident onredelijk om geen ambtshalve vermindering te verlenen.
Verder is interessant dat de A-G meent dat zolang ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001 mogelijk is, geen sprake is van een onherroepelijk geworden aanslag. Als die lijn wordt gevolgd dan hoeft er dus niet terug te worden gekomen op een aanslag die onherroepelijk vaststaat, maar heeft de belastingplichtige voor de inkomstenbelasting vijf jaar de tijd om de box 3-heffing recht te laten zetten naar de heffing zoals die hoort te zijn. In dit geval betekent dat het buiten toepassing laten van een heffing die in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Dat zou een mooi uitgangspunt voor de heffing van inkomstenbelasting zijn.
Verwacht arrest Hoge Raad
Tot slot. De Staatssecretaris beslist nog niet of hij de niet-bezwaarmakers tegemoet komt. Hij heeft de bevoegdheid om dat wel te doen. Het is echter de vraag of het nog te wijzen arrest van de Hoge Raad hem de gewenste duidelijkheid gaat bieden, omdat de rechtsvraag in die procedure niet ziet op een verzoek om ambtshalve vermindering dat ná het Kerstarrest is ingediend. Als de Hoge Raad zou oordelen dat een aanslag inkomstenbelasting gedurende vijf jaar niet onherroepelijk vaststaat dan biedt dat wel de gewenste duidelijkheid. Overigens kan de Hoge Raad ook ten overvloede rechtsregels geven over verzoeken om ambtshalve vermindering die na het Kerstarrest zijn gedaan. De Hoge Raad hoeft dat niet te doen.
De Staatssecretaris raadt aan nog geen verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen. Dit verzoek moet voor het einde van dit jaar worden ingediend. Ruim vóór afloop van die periode zal hij hierover duidelijkheid geven. Overigens staat hiernaast ook de mogelijkheid van een verzoek om herziening of een gang naar de civiele rechter open.
Wilt u worden bijgepraat over box 3? Klik hier om u direct aan te melden voor het webinar op 23 mei a.s.