In het strafrecht geldt het adagium dat niemand tweemaal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. Artikel 68 Sr verankert dit ne bis in idem-beginsel, een fundamentele waarborg tegen dubbele vervolging. Maar wanneer is sprake van ‘hetzelfde feit’? Die vraag klinkt eenvoudig, maar de praktijk leert dat het antwoord dat allerminst is. Het hof Amsterdam boog zich recent over een zaak waarin deze vraag centraal stond, en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van zowel een natuurlijke persoon als diens bedrijf. De achtergrond van deze uitspraak voert terug naar een grootschalig strafrechtelijk onderzoek dat ruim vijftien jaar geleden werd afgerond.
In het onderzoek Kolbak werd de verdachte, een natuurlijke persoon, vervolgd wegens gewoontewitwassen van onroerend goed op de Amsterdamse Wallen over de periode 1 januari 2002 t/m 30 januari 2006. De tenlastelegging was gebaseerd op de b-variant van artikel 420bis Sr: het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen afkomstig uit afpersing, althans uit enig misdrijf. In juli 2009 werd de verdachte vrijgesproken: volgens het hof kon niet worden vastgesteld dat de voorwerpen en Wallenpanden een criminele herkomst hadden. De strafzaak tegen zijn bedrijf werd geseponeerd.