Spring naar content

#414: Streep door vergrijpboete ex-bestuurder voetbalclub

30 juni 2025

Als een fiscale vergrijpboete wordt opgelegd aan een (ex)bestuurder heeft dat grote impact. Niet alleen financieel, maar het kan ook leiden tot reputatieschade. Vanwege de impact die een vergrijpboete kan hebben, is het belangrijk dat kritisch wordt omgegaan met vergrijpboetes. In deze Hertoghs Beschouwt bespreek ik een interessante zaak waarin een ex-bestuurder van een voetbalclub geconfronteerd werd met een forse vergrijpboete. Rechtbank Gelderland oordeelt dat de vergrijpboete dient te worden vernietigd.[1] Ik zal eerst kort het juridisch kader schetsen van feitelijk leidinggeven, waarna ik de uitspraak van de rechtbank zal bespreken. Tot slot ga ik in op de relevantie voor de praktijk.

Feitelijk leidinggeven

Op grond van artikel 51, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht kan strafvervolging worden ingesteld tegen de rechtspersoon zelf, de opdrachtgever en de feitelijk leidinggever. Bij feitelijk leidinggeven gaat het erom of daadwerkelijk leiding is gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. De (basis)criteria voor feitelijk leidinggeven zijn al ruime tijd geleden in de jurisprudentie gevormd (de Slavenburg-jurisprudentie).[2] In een arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, waarnaar ook de rechtbank in haar motivering verwijst, wordt een heldere opbouw van de jurisprudentie door de jaren heen gegeven. [3]

Feitelijk leidinggeven of opdracht geven is “accessoir” (afhankelijk) aan de strafbaarheid van de rechtspersoon. Dit betekent dat eerst door middel van het Drijfmest-arrest[4] dient te worden vastgesteld of de verboden gedraging door de rechtspersoon is begaan. Zodra dat het geval is, dient te worden beoordeeld of er sprake is van feitelijk leidinggeven.

In het arrest uit 2016 maakt de Hoge Raad enkele opmerkingen over het beslissingskader van feitelijk leidinggeven. Deze opmerkingen bieden echter geen volledig overzicht volgens de Hoge Raad. Desalniettemin lijkt de Hoge Raad voor een zorgvuldige opbouw van de jurisprudentie te kiezen. Op basis daarvan zou de volgorde van de beoordeling van de vraag of feitelijk leidinggeven bewezenverklaard kan worden als volgt kunnen worden bepaald:

  1. Kan de strafbare gedraging worden toegerekend aan de rechtspersoon?
  2. Heeft de rechtspersoon opzet gehad op de strafbare gedraging?
  3. Heeft de verdachte zich als actief feitelijk leidinggever gedragen ten opzichte van het strafbare feit?
  4. Heeft de verdachte zich als passief feitelijk leidinggever gedragen ten opzichte van het strafbare feit?
  5. Heeft de feitelijk leidinggever opzet gehad op de strafbare gedraging?

Voor de beoordeling dient naar de concrete feiten en omstandigheden (de gedragingen) te worden gekeken. Niet de juridische, maar de feitelijke situatie is bepalend. Ik zal nu nader ingaan op de zaak van Rechtbank Gelderland.

Onderhavige zaak bij rechtbank

Bij de zaak van Rechtbank Gelderland ging het om een voormalig statutair bestuurder van een voetbalclub. In 2012 heeft een transfer van een voetbalspeler met die club plaatsgevonden. In 2015 is die speler weer (door)verkocht. De transferovereenkomst uit 2012 is ondertekend namens de voetbalclub door belanghebbende. De inspecteur stelde een boekenonderzoek in bij de voetbalclub naar de loonheffingen voor de transfer.

De inspecteur concludeerde dat de loonheffingen niet juist en volledig zijn afgedragen, omdat een deel van de vergoeding bij de speler terecht is gekomen en daarover geen loonheffing is betaald. Er wordt in 2018 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarna een naheffingsaanslag loonheffingen 2014-2016 en vergrijpboete wordt opgelegd aan de voetbalclub.

Ook wordt na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een vergrijpboete opgelegd aan belanghebbende wegens feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet of te weinig afdragen van loonheffingen door de voetbalclub. De vergrijpboete bedroeg in eerste instantie € 500.000. In de bezwaarprocedure werd deze verlaagd naar € 440.000.

De inspecteur vond een vergrijpboete op zijn plaats omdat belanghebbende op de hoogte zou zijn dat de voetbalclub de loonheffingen voor de transfer niet juist en volledig had afgedragen. Ook stelde de inspecteur dat belanghebbende zich expliciet heeft bemoeid met de transfer en financiële afwikkeling daarvan. Volgens de inspecteur was belanghebbende ervan op de hoogte dat er een ander commissiepercentage was overeengekomen dan beoogd en dat de betaalstroom via een tussenpersoon naar de voetbalspeler liep. Belanghebbende stelde dat hij vanaf het najaar van 2014 feitelijk niet meer betrokken was bij de voetbalclub en dus ook niet bij de zaken rondom de (tweede) transfer van deze voetbalspeler.

Voor deze discussie is van belang dat de bewijslast voor het opleggen van een vergrijpboete hoger ligt dan voor de belastingheffing. Voor een vergrijpboete moet de Belastingdienst doen blijken (overtuigend aantonen) dat sprake is van opzet of grove schuld.[5] En daar voldoet de Belastingdienst volgens de rechtbank niet aan. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet overtuigend aantoont dat belanghebbende feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (het niet juist en volledig betalen van loonheffingen). De rechtbank stelt daarbij voorop dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bestuurder is van een vennootschap, onvoldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever. Tegelijkertijd is een juridische positie geen vereiste om feitelijk leidinggever te kunnen zijn.

Volgens de rechtbank is niet bewezen dat belanghebbende gedrag heeft vertoond dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt. Het is onvoldoende dat belanghebbende zich heeft bemoeid met de uitvoering van de rechtshandelingen en feitelijke bestuurshandelingen rondom de transfer.

Aangezien de tweede overeenkomst in de loop van 2015 is afgewikkeld en de bestuurder toen al geen betrokkenheid meer had bij de club, acht de rechtbank evenmin bewezen dat belanghebbende feitelijk leiding heeft gegeven aan de uitvoering van deze overeenkomst en daarmee samenhangende verboden gedragingen. Uit de stukken blijkt niet dat belanghebbende na het najaar van 2014 nog betrokken was bij de transfer en de afwikkeling daarvan. Ook bleek niet dat hij betrokken was bij het presenteren van betalingen als commissies voor scoutingwerkzaamheden. De rechtbank vernietigt daarom de vergrijpboete.

In haar oordeel hanteert de rechtbank een duidelijke opbouw van haar analyse, die overeenkomt met de volgorde van de beoordeling die de Hoge Raad lijkt te hanteren in zijn arrest van 2016. Mijns inziens is dit een mooie toepassing van de jurisprudentie die zich door de jaren heeft gevormd. Daarbij speelt dan ook de zwaardere bewijslast voor vergrijpboetes een relevante rol. Al met al, wat mij betreft een mooie uitspraak.

Afsluiting

Het is goed om te zien dat de rechtbank kritisch is op de stellingen van de inspecteur en de bewijsvoering daarvan. Een mooie uitkomst voor de voormalig bestuurder in dit geval. Het is wel een uitkomst waar hij veel geduld voor moest hebben.

De feiten zelf stammen uit 2012, de kennisgeving van de boete uit 2018 en de uitspraak op bezwaar uit 2023. Er zijn dus inmiddels 13 jaren verstreken sinds de betreffende transfer. In dit geval was vasthoudendheid een schone zaak, maar er is veel geduld nodig geweest. Het is tekenend voor de huidige gang van zaken in (rechterlijke) procedures: voordat er na een bezwaarprocedure een rechterlijke uitspraak is, kan er vaak door verschillende omstandigheden veel tijd overheen gaan.

Daarom bekijken wij met cliënten altijd wat de beste route is in dat specifieke geval. Deze uitspraak biedt in ieder geval een mooi aanknopingspunt om kritisch te zijn (te blijven!) op de bewijsvoering van de Belastingdienst, zeker bij boetes.

Meer weten? Neem dan contact met ons op.

 

[1] Rechtbank Gelderland, 5 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4322.
[2] HR 16 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9607.
[3] Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733.
[4] HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938.
[5] Zie ook Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. M.N.H. (Milou) Hintzen