Angelique Perdaems, schreef in NL Fiscaal een noot over de toepassing van de verhuurderheffing bij mede-eigendom van huurwoningen en de controversiële terugwerkende kracht van de ‘reparatiewet’. De aanleiding voor deze noot ligt in een reeks recente uitspraken van Hof Den Haag en de vraag of de terugwerkende kracht van deze wetgeving strookt met het gelijkheidsbeginsel en de rechtszekerheid.
Lees hier alvast een voorproefje van de noot:
Deze noot ziet op vier uitspraken van Hof Den Haag waarin de verhuurderheffing centraal staat. Het Hof heeft onder andere geoordeeld over de vraag of het onderscheid tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel en over de vraag of de naar aanleiding van het in 2018 gewezen arrest van de Hoge Raad ontworpen reparatiewetgeving met terugwerkende kracht mocht worden ingevoerd. Op deze twee hoofdvragen ga ik in deze noot in en de overige geschilpunten laat ik buiten beschouwing.
Wat voorafging
De aanleiding van deze rechtsvragen is het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018.2 Dit arrest ziet op de verhuurderheffing bij mede-eigenaren van huurwoningen. Indien sprake was van mede-eigenaarschap van tien huurwoningen of meer was verhuurderheffing verschuldigd. In de wet was bepaald dat bij mede-eigenaarschap de woning in aanmerking werd genomen bij degene aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Wie de WOZ-beschikking ontving, was afhankelijk van het beleid van de gemeente. De Hoge Raad oordeelde dat hierdoor voor de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen. Namelijk de medegenothebbende die een WOZ-beschikking ontvangt en de medegenothebbende die geen WOZ-beschikking ontvangt.
De Hoge Raad kwam tot de slotsom dat met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt voor de ongelijke behandeling van de mede-eigenaar, geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. De toepassing van de verhuurderheffing veroorzaakt voor de belanghebbende een inbreuk op het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel/discriminatieverbod (artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM) in samenhang gelezen met het eigendomsrecht (artikel 1 EP) en het discriminatieverbod (artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM).
De Hoge Raad verleent rechtsherstel aan de belanghebbende door de verhuurderheffing achterwege te laten. Het vormen van een rechtsregel voor rechtsherstel laat de Hoge Raad aan de wetgever over. Dit arrest heeft geleid tot de reparatiewetgeving die onderdeel is van de onderhavige procedures. Doordat de verhuurderheffing voor mede-eigenaren onderuitging, is door enig-eigenaren over het jaar 2019 gesteld dat de verhuurderheffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
De nieuwe verhuurderheffing is op 8 juli 2020 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 in werking getreden. Daarvoor is zowel door enig-eigenaren als door mede-eigenaren gesteld dat terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het eigendomsrecht (artikel 1 EP). Hoewel deze uitspraken zich lenen voor een uitgebreid cassatieadvies beperk ik mij in deze noot tot een aantal opmerkingen op hoofdlijnen.
Gelijkheidsbeginsel
Als gevolg van het arrest van de Hoge Raad vond in het jaar 2019 geen verhuurderheffing plaats bij mede-eigenaren. In twee uitspraken oordeelde het Hof over de stelling dat in het jaar 2019 voor enig-eigenaren het gelijkheidsbeginsel is geschonden.3 Allereerst wordt door de belanghebbenden gesteld dat sprake is van discriminatie omdat de huurwoningen van enig-eigenaren wel in de verhuurderheffing worden betrokken en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Er is sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Subsidiair wordt gesteld dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.
Primaire stelling gelijkheidsbeginsel
Het Hof oordeelt in r.o. 5.16 dat enig-eigenaren en mede-eigenaren voor de toepassing van de verhuurderheffing niet gelijk zijn, mede omdat de toerekeningssystematiek via de WOZ-beschikking alleen geldt voor mede-eigenaren. Het Hof neemt bij zijn oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen in aanmerking dat volgens het Hof de Hoge Raad artikel 3 Wet verhuurderheffing niet onverbindend heeft verklaard en geen regel voor rechtsherstel heeft geformuleerd. Die overweging kan ik niet volgen.
Allereerst heeft de Hoge Raad duidelijk geoordeeld dat de verhuurderheffing voor mede-eigenaren in strijd is met het discriminatieverbod in samenhang met het eigendomsrecht. Deze overweging is algemeen en ziet niet op het individuele geval. Dat de Hoge Raad slechts in het individuele geval rechtsherstel verleent, doet daar niet aan af. Daarnaast is duidelijk dat als gevolg van het arrest van de Hoge Raad mede-eigenaren van woningen die woningen niet in aanmerking hoeven te nemen voor de verhuurderheffing (zie r.o. 2.2.1 van de uitspraak van het Hof). Het arrest wordt toegepast op alle mede-eigenaren.
Ten tweede begrijp ik niet waarom de vraag of het betreffende wetsartikel onverbindend is verklaard relevant is bij de beoordeling van de vraag of de enig-eigenaar en mede-eigenaar gelijke gevallen zijn. De beoordeling of sprake is van gelijke gevallen moet plaatsvinden aan de hand van doelen die met de betreffende regeling worden beoogd (zie ook de conclusie van A-G Wattel in een procedure waarin sprongcassatie is ingesteld in een zaak over de verhuurderheffing 20194).
Des te opmerkelijker is het oordeel van het Hof dat aan zijn oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen niet afdoet dat enig-eigenaren en mede-eigenaren gelet op het doel van de verhuurderheffing vergelijkbare gevallen zijn. Het Hof onderbouwt dit oordeel niet, waardoor het onduidelijk is waarom dit oordeel niet afdoet aan zijn oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen. Mijns inziens kan dan ook in cassatie worden betoogd dat het oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het gelijkheidsbeginsel getuigt, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
Subsidiaire stelling gelijkheidsbeginsel
Ten aanzien van de subsidiaire stelling van de belanghebbenden oordeelt het Hof dat bij de ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een overduidelijke onevenredigheid, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de heffing worden betrokken en huurwoningen van mede-eigenaren niet.
Vervolgens toetst het Hof of voor deze overduidelijke onevenredige behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Daarbij bestaat een ruime beoordelingsmarge. Het Hof acht van belang dat de ongelijke behandeling het gevolg is van het arrest van de Hoge Raad waardoor volgens het Hof moet worden getoetst of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het feit dat de wetgever de ongelijke behandeling nog niet had weggenomen op het moment van verschuldigdheid van de verhuurderheffing.
Het Hof oordeelt dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling aanwezig is. Dit baseert het Hof op de conclusie van A-G Wattel in een verhuurderheffingzaak over 2019. A-G Wattel meent dat de wetgever andere opties heeft overwogen, maar dat de lange duur van de reparatie zijn oorzaak vond in de lage politieke en budgettaire prioriteit van het reparatiedossier. Dat de reparatie een jaar eerder had gekund, is volgens de A-G geen grond om de gehele verhuurderheffing onverbindend te verklaren. Hij benoemt dat dit te maken kan hebben met het rondzingen van het voornemen de verhuurderheffing af te schaffen (hetgeen met ingang van 1 januari 2023 is gebeurd).
De objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling wordt door het Hof gevonden in het wetgevingsproces waarbij van belang is dat het belang van reparatiewetgeving aanvankelijk als relatief beperkt werd ingeschat, omdat er geen signalen bij de Belastingdienst waren binnengekomen dat het arrest van 8 juni 2018 een substantiële derving van belastinginkomsten tot gevolg zou hebben.
Terugwerkende kracht
In alle vier de uitspraken komt de vraag aan de orde of de terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 in de reparatiewetgeving die op 8 juli 2020 in het Staatsblad is gepubliceerd, door de beugel kan. In het onderhavige geval is sprake van formele terugwerkende kracht hetgeen in beginsel niet is toegestaan. De rechtszekerheid is een belangrijk rechtsbeginsel dat door de wetgever in acht moet worden genomen. In deze procedures is door de belanghebbenden het standpunt ingenomen dat de terugwerkende kracht in strijd is met het door artikel 1 EP beschermde recht op ongestoord genot van eigendom.
Bij reparatiewetgeving als gevolg van een arrest van de Hoge Raad zien we in de jurisprudentie dat in die gevallen onder voorwaarden formele terugwerkende kracht is toegestaan. Bij een toets aan het eigendomsrecht zou het voor de hand liggen dat met name wordt getoetst of de wet lawful is, hetgeen inhoudt dat de inbreuk op het eigendomsrecht voorzienbaar moet zijn. Echter uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat deze toets wordt meegenomen in de fairbalancetoets.
Het Hof beoogt te toetsen of de terugwerkende kracht van de verhuurderheffing de fairbalancetoets doorstaat. Mijns inziens voert het Hof die toets niet juist uit. Het Hof had de proportionaliteitstoets specifiek moeten richten op de terugwerkende kracht. Met andere woorden, zijn er dusdanige gronden die de vergaande inbreuk rechtvaardigen? Alle omstandigheden moeten dan worden meegewogen.
De volledige noot leest u hier: juiste verhuurderheffing 2020; (terugwerkende kracht) reparatiewet leidt niet tot strijd met artikel 1 EP (1) NLF 2024/2454