Spring naar content

#462 Verschoningsrecht in het tijdperk van AI: doorbreekt ChatGPT de vertrouwelijkheid?

17 augustus 2026

In een recent proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam is een spraakmakende beslissing genomen op het gebied van het verschoningsrecht en het gebruik van AI.[1] De rechter-commissaris oordeelde dat het invoeren van (mogelijk) verschoningsgerechtigde informatie in ChatGPT, alsmede het laten genereren van een tekst die bestemd is voor een verschoningsgerechtigde, kan worden aangemerkt als het openbaar maken van dergelijke informatie. Hierdoor wordt de vertrouwelijkheid van deze informatie doorbroken en verliest zij haar verschoningsgerechtigde karakter.

De uitspraak heeft al de nodige stof doen opwaaien. En terecht: de beslissing roept fundamentele vragen op over de reikwijdte van het verschoningsrecht in een gedigitaliseerde wereld.

De zaak in het kort

Op 10 juni 2025 vond onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in een woning, waarbij onder andere digitale gegevensdragers werden inbeslaggenomen, waaronder twee iPhones en een Apple laptop. De officier van justitie verzocht de rechter-commissaris de gegevensdragers te filteren op aanwezigheid van mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal. De verdachte wordt bijgestaan door kantoorgenoten Ron Jeronimus en Ruben Scherpenisse.

Op 16 december 2025 stuitten gerechtsjuristen bij een controle van de gegevensdragers namens de rechter-commissaris op gegevens waaruit bleek dat de beslagene via een prompt in ChatGPT een reactie had opgesteld, kennelijk bedoeld voor een verschoningsgerechtigde. ChatGPT had een tekst gegenereerd waarin de naam van de verschoningsgerechtigde werd genoemd.

De rechter-commissaris overwoog vervolgens dat een extern AI-systeem, zoals OpenAI (waarvan ChatGPT een product is), zowel de ingevoerde als gegenereerde informatie opslaat en kan gebruiken voor bijvoorbeeld het trainen van het AI-model. Om die reden kwalificeerde de rechter-commissaris het invoeren van verschoningsgerechtigde informatie in ChatGPT als het openbaar maken van die informatie. Hierdoor verliest de informatie haar vertrouwelijke karakter en kan deze niet langer worden aangemerkt als verschoningsgerechtigde informatie.

De lijn in de VS: de zaak Heppner

De rechter-commissaris lijkt hiermee de Amerikaanse lijn te volgen. In de zaak United States v. Heppner van eerder dit jaar werd Heppner aangeklaagd voor het plunderen van meer dan $ 150 miljoen uit GWG Holdings, een beursgenoteerd bedrijf. In het kader van die zaak deed zich de vraag voor of het gebruik van een extern AI-systeem leidt tot een waiver van het attorney-client privilege.[2]

In de VS geldt het attorney-client privilege simpelgezegd wanneer (i) een cliënt communiceert met een advocaat (ii) ten behoeve van het verkrijgen van juridisch advies, en sprake is van (iii) vertrouwelijkheid. Het attorney-client privilege biedt aanzienlijk minder bescherming dan het Nederlandse verschoningsrecht. Het privilege behoort in tegenstelling tot in Nederland toe aan de cliënt – niet aan de advocaat – en kan eenvoudig worden doorbroken zodra bijvoorbeeld vertrouwelijke informatie wordt gedeeld met een derde partij (waiver). In Heppner oordeelde de rechter dat het invoeren van vertrouwelijke communicatie in een AI-chatbot gelijkstaat aan een dergelijke voluntary disclosure aan een derde partij, waardoor het privilege vervalt.

Het Nederlandse kader

Het verschoningsrecht waarborgt dat degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich kan verschonen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan dit beginsel ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.[3] Ook stukken onder een beslagene die bestemd zijn voor een advocaat kunnen onder het verschoningsrecht vallen.[4]

Relevant daarbij is dat de Hoge Raad op 25 maart 2025 heeft beslist dat het inbrengen van verschoningsgerechtigd materiaal in een fiscale procedure niet betekent dat daarmee het verschoningsrecht wordt prijsgegeven, zolang het vertrouwelijke karakter van de betreffende gegevens intact is.[5] De relevante vraag in onderhavige zaak is dus of het vertrouwelijke karakter van de in OpenAI ingevoerde gegevens is prijsgegeven. Dat is wat mij betreft niet het geval. Het feit dat OpenAI data opslaat, maakt die informatie niet toegankelijk voor het publiek. Net zomin als het opslaan van documenten in een cloudomgeving (Azure, Google Cloud) die documenten ‘openbaar’ maakt. Zonder specifieke vordering of rechtshulpverzoek aan OpenAI (VS) kan niemand – ook het OM niet – de ingevoerde gegevens en prompts inzien. Veelzeggend is dat de informatie in casu uitsluitend is aangetroffen op de eigen gegevensdragers van de beslagene, en dus juist niet via OpenAI is verkregen.

De overweging dat OpenAI data kan gebruiken voor modeltraining verdient eveneens nuancering. OpenAI biedt sinds 2023 de mogelijkheid om gegevens uit te sluiten van training terwijl voor zakelijke producten zoals ChatGPT Business en ChatGPT Enterprise geldt dat ingevoerde gegevens standaard niet voor modeltraining worden gebruikt. Voor zover de rechter-commissaris hiervan is uitgegaan, blijkt niet dat daarnaar feitelijk onderzoek is verricht. Ook in het geval de gegevens voor training worden gebruikt, volgt daaruit niet zonder meer dat die gegevens voor derden toegankelijk worden. Large language models verwerken informatie door statistische verbanden te leren en functioneren niet als doorzoekbare databases.

Cruciaal is overigens de overweging van de Hoge Raad uit het arrest van 12 maart 2024: het verschoningsrecht strekt zich uit tot geprivilegieerde gegevens die zijn opgeslagen bij een communicatiedienst, ook als die gegevens door toedoen van een cliënt daar zijn opgeslagen.[6] Deze regel, geformuleerd voor internet- en e-mailproviders, dient in mijn optiek ook te gelden voor AI-diensten. Net als bij cloudopslag en e-maildiensten maakt opslag bij een AI-dienst de informatie niet toegankelijk voor derden. Zonder specifieke vordering zijn de ingevoerde gegevens niet in te zien. De ratio achter de beslissing van de Hoge Raad in het arrest van 12 maart 2024 zou daarom onverkort moeten gelden wanneer een cliënt geprivilegieerde informatie in een AI-tool invoert. Een ander oordeel zou het verschoningsrecht in het digitale tijdperk uithollen.

Tot slot

De beslissing van de rechter-commissaris roept de vraag op hoe het verschoningsrecht zich verhoudt tot moderne technologieën. Zoals hiervoor toegelicht, is de gelijkstelling van AI-gebruik met openbaarmaking juridisch noch technisch houdbaar. Opslag bij een AI-dienst maakt vertrouwelijke informatie niet toegankelijk voor derden, specifieke invoer is niet uit het model te extraheren, en de Hoge Raad heeft reeds geoordeeld dat het verschoningsrecht niet wordt prijsgegeven zolang het vertrouwelijke karakter van de gegevens intact blijft. Zorgvuldigheid bij het gebruik van AI in het kader van vertrouwelijke communicatie is uiteraard geboden. Het ligt in de eerste plaats op de weg van de verschoningsgerechtigde om cliënten adequaat over de daarmee samenhangende risico’s te informeren. Dat neemt echter niet weg dat de beslissing van de rechter-commissaris moeilijk te volgen is. Juist daarom verdient deze een kritische beoordeling.

 

[1] Rechtbank Rotterdam 12 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9319.
[2] U.S. District Court for the Southern District of New York 17 februari 2026, United States v. Heppner.
[3] HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375.
[4] HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686.
[5] HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456.
[6] HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. drs. S.H. (Seleyna) Çelik