De Hoge Raad maakt, mede aan de hand van zijn eerdere rechtspraak, enkele opmerkingen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het “feitelijke leidinggeven” aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging als bedoeld in art. 51 lid 2 aanhef en onder 2° Sr. Deze opmerkingen vormen geen compleet overzicht, maar beogen op hoofdlijnen een verduidelijking van het beslissingskader te bieden. Bij de toepassing van dat kader zal overigens veel afhangen van de precieze feiten en omstandigheden van het geval.
Op grond van zijn vaststellingen heeft het Hof zonder van een onjuiste rechtsopvatting blijk te geven niet onbegrijpelijk kunnen oordelen (a) dat het Werkvoorzieningschap opzettelijk onjuiste aangiften LB/PVV heeft gedaan en (b) dat de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. De enkele omstandigheid dat de verdachte na 2000 “geen bestuurlijk mandaat meer” had en niet langer bevoegd was namens het Werkvoorzieningschap op te treden, leidt niet tot een ander oordeel. Het oordeel van het Hof in verband met de strafoplegging dat de Belastingdienst voor een aanzienlijk bedrag is benadeeld, is niet onbegrijpelijk.
Lees de volledige annotatie van Anke Feenstra hier: Vervolging rechtspersoon, feitelijk leidinggeven. Annotatie NBSTRAF 2016/146
Wilt u meer informatie of heeft u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact met ons op.