Spring naar content

Verwijzingsprocedure na cassatie over omvang immateriëleschadevergoeding telt zelf niet mee. Annotatie NTFR 2020/170

Een uitspraak met een voorgeschiedenis aangezien de Hoge Raad de zaak heeft verwezen naar Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak draait alleen nog om de immateriëleschadevergoeding. De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest namelijk geoordeeld dat de rechter ook op een verzoek om schadevergoeding moet beslissen als het bezwaar of beroep te laat is ingediend (HR 15 februari 2019, nr. 17/06102, NTFR 2019/434).

Lees hier alvast een voorproefje van het artikel:

Na verwijzing speelt bij de rechtbank de vraag of de termijn voor het bepalen van de immateriëleschadevergoeding loopt tot de uitspraak in verzet van de eerste rechtbank of tot het moment
waarop de rechtbank na verwijzing uitspraak heeft gedaan. De rechtbank zet de overwegingen duidelijk uiteen in de uitspraak om zo gemotiveerd tot een afweging te komen. De slotsom luidt dat de redelijke termijn is geëindigd met de verzetuitspraak en dat een nieuwe redelijke termijn gaat lopen vanaf het arrest van de Hoge Raad. Belanghebbende had daarentegen bepleit dat de redelijke termijn eindigt na de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Voor beide opvattingen valt iets te zeggen, maar het voelt juridisch onbevredigend dat de redelijke termijn eerder eindigt dan het moment waarop de integrale procedure volledig is geëindigd. In die zin volg ik het standpunt van de belastingplichtige. Het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, NTFR 2016/752 lijkt echter een andere kant op te wijzen, aangezien de redelijke
termijn vooral uitgaat van de hoofdzaak en het verzoek om vergoeding van de immateriële schade een bijkomende vordering betreft. Ik begrijp dan ook de afweging die de rechtbank maakt tussen de verschillende argumenten. De rechtbank heeft dit in de uitspraak heel duidelijk en overzichtelijk weergegeven.

Lees verder.