Op 26 maart 2025 is een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland[1] gepubliceerd die menig effectenhandelaar zal hebben doen glimlachen. De rechtbank oordeelde namelijk dat de door de belanghebbende behaalde voordelen met daytraden niet belast worden in box 1, maar in box 3, omdat geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Een naar mijn mening terechte uitspraak die potentieel betrekking heeft op een grote groep belastingplichtigen, zeker nu het daytraden alleen maar populairder is geworden door onder andere crypto.
Bron van inkomen?
De casus draaide om een effectenhandelaar die actief handelde in aandelen en daarbij voordeel behaalde. Hij gaf deze positieve resultaten in zijn belastingaangifte op als inkomen uit sparen en beleggen (box 3), dat veel lager belast wordt dan inkomen uit werk en woning (box 1). De Belastingdienst zag dit anders. Volgens de inspecteur was sprake van primair winst uit onderneming en subsidiair resultaat uit overige werkzaamheden, waardoor de voordelen in box 1 thuis zouden horen.
Het onderscheid is relevant. Positief inkomen in box 1 wordt progressief belast tegen een (veel) hoger tarief dan box 3. In de meeste gevallen is een belastingplichtige dan ook voordeliger uit als zijn winst in box 3 valt. Maar wanneer is sprake van een bron van inkomen in box 1? Daarvoor zijn drie cumulatieve voorwaarden van belang: i) deelname aan het economische verkeer, ii) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en iii) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Of aan de voorwaarden is voldaan, moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden.
Geen objectieve voordeelsverwachting
De inspecteur van de Belastingdienst stelde dat de handelaar beschikte over bijzondere deskundigheid. Hij was geselecteerd door een gespecialiseerd bedrijf en werkte samen via een overeenkomst waarbij aanzienlijke bedragen gemoeid waren. Ook wees de inspecteur op toegang tot exclusieve informatiebronnen en platforms die particuliere beleggers niet hadden. Verder benadrukte hij de reeks positieve resultaten uit voorgaande jaren.
De rechtbank ging hier niet in mee. De koersontwikkeling van aandelen is en blijft grotendeels onvoorspelbaar. De deskundigheid van de handelaar was niet bepalend voor de behaalde voordelen. Hoewel de handelaar veel tijd en moeite stak in zijn transacties – meerdere per dag, posities kort aangehouden – bleef de uitkomst speculatief. De aandelen werden gekocht en verkocht op een open markt, waar het koersverloop niet te voorspellen is, zelfs niet met ervaring of deskundigheid.
De rechtbank oordeelde dan ook dat de voordelen uit daytraden in dit geval niet naar maatschappelijke maatstaven redelijkerwijs konden worden verwacht. De behaalde voordelen dienen dan ook te worden belast in box 3.
Inconsequente houding
Wat deze zaak extra interessant maakt, is dat het de ogenschijnlijke inconsequente houding van de Belastingdienst blootlegt. We zien namelijk dat de inspecteur in dergelijke geschillen vaak lijkt te redeneren vanuit de uitkomst die voor hem het gunstigst is. Worden er verliezen gemaakt, dan is er geen objectieve voordeelsverwachting (en dus box 3). Wordt er winst gemaakt, dan is er vaak wel sprake van objectieve voordeelsverwachting (en dus box 1).
Deze inconsequente houding komt ook naar voren uit de uitspraak zelf. Bij handelaren die op basis van dezelfde samenwerkingsovereenkomst als belanghebbende een verlies hadden behaald, werd namelijk het standpunt ingenomen dat dit verlies in box 3 viel (en dus niet aftrekbaar was).[2]
Gevolgen
Het gebrek aan eenduidigheid bij de objectieve voordeelsverwachting zal ongetwijfeld nog een hoop discussie opleveren in de IB-sfeer. Ik verwacht in de toekomst ook meerdere procedures over cryptohandelaren die dankzij (of ondanks?) de volatiliteit van crypto enorme voordelen hebben behaald.
De uitspraak benadrukt nogmaals het belang om scherp te zijn op de stellingen die door de inspecteur worden ingenomen en deze – indien onjuist – gemotiveerd te betwisten.
Daarnaast blijkt dat iedere keer – van geval tot geval – beoordeeld moet worden of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Hoewel de resultaten uit andere jaren hier een licht op kunnen werpen, zijn deze niet heilig.
[1] Rechtbank Noord-Holland 17 oktober 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14105.
[2] Rechtbank Noord-Holland 17 oktober 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14105, r.o. 11 t/m 13.