De afgelopen periode heeft de Hoge Raad opnieuw belangrijke accenten gelegd in het fiscale strafrecht. Centraal staan vragen rondom de hoedanigheid van de verdachte bij kwaliteitsdelicten, het meewegen van niet-tenlastegelegde feiten bij de straftoemeting en de grenzen aan het ‘negeren’ van vennootschapsstructuren.
Opvallend is dat het Openbaar Ministerie en sommige feitenrechters hier niet altijd in meegaan. Zo worden nog steeds zaken aangebracht met discutabele tenlasteleggingen en worden vennootschappen soms terzijde geschoven op basis van economische realiteit.
In deze bijdrage bespreken Anke Feenstra en Milou Hintzen een aantal recente arresten en een kritische conclusie van A-G Wattel, die deze ontwikkelingen scherp in perspectief plaatst.