Skip to content

Witwassen en herkomst uit eigen misdrijf

13 oktober 2015

Afpakken is een speerpunt van het Openbaar Ministerie. Naast het ontnemen van crimineel vermogen vormt het ten laste leggen van witwassen hiertoe een sterk instrument. In de wet zijn een aantal witwasbepalingen opgenomen ten aanzien van voorwerpen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dit ‘enig misdrijf’ kan door de verdachte zelf zijn gepleegd of door een ander.

 

Eigen misdrijf

Twee van de witwasgedragingen die zijn opgenomen in de wet zijn het verwerven en voorhanden hebben van opbrengsten uit enig misdrijf. De verdachte die zelf een misdrijf pleegt, heeft vrijwel onoverkomelijk de opbrengsten uit dit misdrijf verworven en voorhanden. Dit betekent dat een verdachte zich naar de letter van de wet reeds op dit punt schuldig maakt aan witwassen, zonder dat hij daadwerkelijk handelt naast het plegen van het grondmisdrijf.

De Hoge Raad acht deze automatische dubbele strafbaarheid onwenselijk en heeft dan ook een kwalificatie-uitsluitingsgrond geformuleerd. Het enkele verwerven of voorhanden hebben van opbrengsten onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf kwalificeert volgens de Hoge Raad niet als witwassen. Daarvoor is meer nodig, namelijk een gedraging die kennelijk gericht is op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp (NJ 2013/515).

Om deze rechtsregel te kunnen inroepen dient aannemelijk te zijn dat het voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (NJ 2014/302).

 

Arrest van 16 juni 2015

Op 16 juni 2015 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat betrekking heeft op deze kwalificatie-uitsluitingsgrond (NJ 2015/340).

Feitelijk gaat het erom dat in de woning van verdachte contant geld is aangetroffen, een handelshoeveelheid drugs en voorwerpen die vermoedelijk afkomstig zijn van een hennepplantage. De verdediging voert aan dat het aangetroffen geld een legale herkomst heeft, maar dit verweer wordt door het hof Amsterdam verworpen. Het hof overweegt daarnaast dat verdachte geen verklaring omtrent de herkomst van het geld heeft willen of kunnen geven.

In cassatie klaagt verdachte over het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het geld uit eigen misdrijf afkomstig is. Dit overigens terwijl verdachte dit in tweede aanleg ook niet had aangevoerd, daar had hij immers betoogd dat het geld een legale herkomst had. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het overweegt daartoe dat verdachte zich er niet op heeft beroepen dat het geld afkomstig was uit een door hem gepleegd misdrijf. Volgens de Hoge Raad volgt ook uit de aanwezigheid van de XTC-pillen en voorwerpen die worden gebruikt bij hennepplantages niet zonder meer dat kennelijk sprake is van geld dat afkomstig is uit eigen misdrijf (te weten de verkoop van XTC-pillen of door hem gekweekte hennep).

 

"Enigszins concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk"

Blijkbaar had verdachte dus zelf moeten aanvoeren dat het geld uit eigen misdrijf afkomstig is. Gelet op de bewijsvermoedens die bij witwassen worden gehanteerd, wordt van de verdachte verwacht dat deze een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring moet enigszins concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Het hof gaat niet mee met de stelling van verdachte dat het geld een legale herkomst heeft. Had de verdachte dan tevens moeten aanvoeren dat het geld uit eigen misdrijf afkomstig is, om zich zo te kunnen beroepen op de kwalificatie-uitsluitingsgrond? 

Gelet op de vereisten aan de verklaring van de verdachte zal de enkele bewering dat het geld uit eigen misdrijf afkomstig is, niet leiden tot een succesvol beroep op de uitsluitingsgrond. Het zal dus geen zin hebben om maar in het wilde weg te gaan roepen dat sprake is van opbrengsten uit eigen misdrijf. Het moet aannemelijk zijn dat de voorwerpen uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Hoewel niet vereist is dat dit misdrijf concreet is qua tijd, feit en plaats, zal de verdachte op enig moment toch een “behoorlijk onderbouwd, maar voor zichzelf belastend” standpunt moeten innemen.[1] Het nemo tenetur-beginsel, het (niet absolute) recht tegen zelfincriminatie, lijkt hier niet aan in de weg te staan. Dit behoudens de gevallen waarin het grondfeit ook op de tenlastelegging staat, maar dan zal het ook niet zozeer de vraag zijn of het grondfeit een eigen misdrijf betreft.

 

Onderzoek uit eigen hoofde van de rechter?

Maar ligt het niet sowieso op de weg van de rechter om de herkomst van het geld nader te onderzoeken? Het hof heeft in de dossierstukken blijkbaar geen aanleiding gezien om de herkomst van het geld nader te onderzoeken. Ook de Hoge Raad bevestigt dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid XTC-pillen niet zodanig is dat daaruit zonder meer volgt dat sprake is van opbrengsten uit eigen misdrijf.

Wie niet verklaren wil, moet maar voelen; dat lijkt althans besloten te liggen in het rechterlijk oordeel in deze zaak. Als de verdachte zich had willen beroepen op de kwalificatie-uitsluitingsgrond, dan had hij moeten aanvoeren dat sprake is van opbrengsten uit eigen misdrijf. Nu hij dit niet gedaan heeft, en het hof ook geen aanleiding zag voor nader onderzoek naar de herkomst, is zijn kans verkeken. Het voorhanden hebben van opbrengsten uit enig misdrijf, door een ander gepleegd, leidt namelijk wel tot een veroordeling ter zake van witwassen. 

 

[1] J. Nan, “Witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen”, Advocatenblad, augustus 2014, nr. 8, p. 22-24.