Op 3 november 2025 zijn de jaarverslagen 2018 tot en met 2021 van de Coördinatiegroep Constructiebestrijding (hierna: CCB) via de Woo openbaar gemaakt.[1] Hoewel de jaarverslagen inmiddels gedateerd zijn leveren deze toch weer interessante inzichten op. Meer specifiek trokken de passages over woonplaatsonderzoeken, waaronder project Monaco, mijn bijzondere aandacht. Duidelijk is in ieder geval dat de Belastingdienst niet stil zit op dit thema en op het scherp van de snede acteert.
Woonplaatsonderzoeken – jaarverslagen CCB
In de praktijk merk ik dat woonplaatsonderzoeken een hot topic zijn. Of sprake is van een fiscale woonplaats in Nederland wordt beoordeeld op basis van artikel 4 AWR. Voor een toelichting hierop verwijs ik naar Hertoghs Beschouwt #419 waarin een overzicht wordt gegeven van de recente rechtspraak. In Hertoghs Beschouwt #404 is nader ingegaan op de werkinstructie woonplaatsonderzoek en het opgerichte expertisecentrum woonplaatsonderzoeken dat valt onder de CCB.
Uit de jaarverslagen komt duidelijk het beeld naar voren dat ‘Nederlanders’ die wonen in een land waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft (of een verdrag dat de heffingsrechten van Nederland niet inperkt) niet veilig zijn voor de Nederlandse fiscus. Denk hierbij bijvoorbeeld aan landen als Dubai, Malta en Cyprus, maar ook Monaco.
Zo is in 2017 het project Monaco gestart naar Nederlanders met een woonadres in Monaco, maar die ook beschikken over relaties in Nederland.[1] Dit project heeft in de jaarverslagen dan ook een prominente plek gekregen. Hoewel wordt omschreven dat de Belastingdienst succes heeft behaald, zijn de daadwerkelijk behaalde resultaten niet bekend gemaakt. Het belang daarvan zou niet opwegen tegen het belang van inspectie, controle en toezicht. In de jurisprudentie zijn echter niet veel Monaco-zaken terug te vinden over de afgelopen acht jaar. Ik vermoed dan ook dat de zaken grotendeels (nog) niet onder de rechter zijn gebracht of dat er nog geen uitspraak is.
Verder valt in de jaarverslagen nog de toon richting de belastingplichtige en de adviseurs mij op. Volgens de CCB zorgt het aantal formele verweren voor tijdsverlies en afgeleide discussies waarin het niet over de materialiteit gaat.[2] Ik vind dit zorgwekkend, omdat hiermee wordt gesuggereerd dat het doel altijd de middelen heiligt. De formele fiscale regels (en verweren) zijn gecodificeerd in de wet en ontwikkeld in de jurisprudentie met een reden: de overheid in het gareel te houden.
Als deze regels als een formeel geneuzel door diezelfde overheid worden gezien dan is het einde zoek. Het zijn overigens ook niet slechts ‘formele verweren’ maar essentiële waarborgen in het belang van de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Die zouden ook bij de Belastingdienst hoog in het vaandel moeten staan.
Waar ligt de grens?
Hoewel de CCB al eerder betrokken was bij woonplaatsonderzoeken, is haar rol met de oprichting van het expertisecentrum woonplaatsonderzoek inmiddels meer gecoördineerd. Het expertisecentrum geeft namelijk verplicht een zwaarwegend (niet bindend) advies bij de start, de mijlpalen tijdens het onderzoek, de afronding van het onderzoek en de evaluatie. Door de betrokkenheid van het expertisecentrum zou meer aandacht moeten komen voor de subsidiariteit en proportionaliteit van de verzoeken (en onderzoeken), alsmede voor de vergaande inbreuk op de privacy van de belastingplichtige.
Nu, zoals ik hiervoor al omschreef, uit de jaarverslagen het beeld ontstaat dat de CCB niet veel op heeft met de rechtsbescherming doordat formele verweren als afleiding en tijdrovend worden ervaren, verbaast het mij niet dat ik er in de praktijk nog weinig van terug zie.
Zo verzoekt de inspecteur nog steeds om complete e-mailboxen te overleggen en wordt ook op andere manieren geprobeerd de belastingplichtige klem te zetten. Dit doordat bijvoorbeeld ondanks dat al een definitieve aanslag is opgelegd als buitenlands belastingplichtige, (opnieuw) een aangiftebiljet wordt uitgereikt waarin wordt uitgenodigd om als binnenlands belastingplichtige aangifte te doen.
De inspecteur probeert in mijn optiek hiermee de informatiebeschikking te omzeilen. Immers, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, heeft dit ook tot gevolg dat omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Waarom zou de inspecteur dan ingewikkeld gaan doen en jarenlang procederen over een informatiebeschikking als hij met het opnieuw uitreiken van een aangiftebiljet hetzelfde resultaat kan behalen?
De vraag is echter of het fiscaal gezien mogelijk is om te concluderen dat de vereiste aangifte niet is gedaan als het opnieuw als binnenlandse belastingplichtige uitgereikte aangiftebiljet niet wordt ingediend? Ik meen van niet.
Voorop staat dat de Hoge Raad in zijn arrest van 28 januari 2022 heeft bepaald dat indien de belastingplichtige (op uitnodiging) als buitenlands belastingplichtige aangifte doet, niet kan worden geconcludeerd dat de vereiste aangifte niet is gedaan, omdat deze als binnenlands belastingplichtige gedaan had moeten worden.[3]
Het opnieuw uitreiken van een aangiftebiljet waarin wordt uitgenodigd om alsnog als binnenlands belastingplichtige aangifte te doen, kan dit naar mijn mening niet repareren. Dit omdat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat als de belastingplichtige een aangifte indient nadat de aanslag is vastgesteld, deze wordt aangemerkt als een bezwaarschrift of verzoek ambtshalve vermindering.[4] Niet valt in te zien dat de formele rechtskracht van de definitieve aanslag kan worden doorbroken door een nieuw aangiftebiljet uit te reiken.
De praktijk
Dat in woonplaatsonderzoeken de grens wordt opgezocht levert interessante juridische discussies op. Voor de belastingplichtige in kwestie is de impact echter groot. Hoewel woonplaatsonderzoeken vaak beginnen met een paar simpele vragen die door de belastingplichtige met volle overtuiging worden beantwoord, heeft de inspecteur zijn conclusie vaak al getrokken.
Dit op basis van (eenzijdige) informatie die soms al op de achtergrond is verzameld zonder dat de belastingplichtige hiervan op de hoogte was. De vragen stoppen dan ook vaak niet en worden steeds ingrijpender waardoor deze kunnen leiden tot onevenredige verzoeken die in sommige gevallen een te vergaande inbreuk maken op de privacy.
Het is in elk geval belangrijk tijdig juridische bijstand te zoeken, zodat in een vroeg stadium de strategie kan worden bepaald en wordt toegezien dat de Belastingdienst binnen de grenzen van de wet blijft handelen. Heeft u hierover vragen? Neem dan gerust contact op.
[1] Documenten bij Woo-besluit over Jaarverslagen Coördinatiegroep Constructiebestrijding (CCB) Belastingdienst.
[2] Documenten bij Woo-besluit over Jaarverslagen Coördinatiegroep Constructiebestrijding (CCB) Belastingdienst, p. 45.
[3] Documenten bij Woo-besluit over Jaarverslagen Coördinatiegroep Constructiebestrijding (CCB) Belastingdienst, p. 69.
[4] HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:84.
[5] HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4196.